Wetenschap - 1 januari 1970

De slapjanus, de angsthaas en de beunhaas

De slapjanus, de angsthaas en de beunhaas

De slapjanus, de angsthaas en de beunhaas


De academische onderzoeker die meent geen recht van spreken te hebben en
zich neerlegt bij inmenging van bovenaf of van onderop is een slapjanus,
een angsthaas of een beunhaas. De vrijheid van meningsuiting van de
onderzoeker berust niet, zoals voor iedere burger, op één pijler, het
roemruchte artikel 7, lid 1 van de Grondwet, maar wordt ondersteund door
twee pijlers. De tweede pijler, de academische vrijheid, is gebaseerd op
een lange traditie die juist nu in deze barre tijden van verzakelijking,
privatisering, intolerantie en onbeschaafdheid gekoesterd moet worden alsof
het een teer kasplantje is. Het zou een wijs besluit zijn, als de VSNU de
academische vrijheid in een statuut vastlegt en enkele tuchtmaatregelen
opstelt. Iedere functionaris die binnen de universiteit met het verbodsbord
zwaait en daarmee de vrijheid van het recht van spreken van de serieuze
onderzoeker aantast, dient zonder aanzien des persoons voor de academische
tuchtrechter te worden gesleept om daar over zijn snode daden
verantwoording af te leggen. De boven-ons-gestelden van de Wageningse
Universiteit vormen hierop geen uitzondering, ook al valt deze instelling
onder het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Een
departement dat bij vriend en vijand berucht is om zijn geslotenheid.

Erger dan de bestuurlijke verbieder is echter de slapjanus. De man of vrouw
die zichzelf het recht heeft ontzegd om in alle vrijheid zijn mening te
verkondigen. Hij houdt het liever onder de pet of de baret. Hij noemt de
universiteitskrant het sufferdje. Hij vindt de journalist een persmuskiet.
Hij denkt dat in de krant de leugen regeert, maar is wel geabonneerd op de
krant van wakker Nederland. Het is de kleine man, met een groot salaris,
die geen ruggengraat heeft en het te veel gedoe vindt om de burger te
wijzen op een probleem, een knelpunt of een foute maatregel.

Nog erger dan de slapjanus is de angsthaas. De angsthaas weet waarover hij
praat. Maar de angsthaas denkt de wereld in en buiten de vallei te kennen,
daarom houdt de angsthaas zijn mond en is zijn lijfspreuk 'horen, zien en
zwijgen'. De angsthaas is bang voor boze blikken en harde woorden. Hij
vreest voor zijn loopbaan en hypotheek. Thuis heeft hij het hoogste woord
over zijn belangwekkende bezigheden en ontdekkingen. Daar speelt hij de
grote meneer en de ware geleerde. In de kroeg verkondigt hij luidkeels dat
de burgers niet mogen worden lastig gevallen met zijn ontdekkingen. De
angsthaas vreest de onrust. En de angsthaas denkt vooral aan zichzelf,
daarom huilt hij mee met de wolven in het bos en zwijgt hij verder in alle
talen.

De slapjanus en de angsthaas verbleken echter bij de beunhaas. Een
zwarthandelaar in wetenschappelijke artikelen en andere hooggeleerde
kwesties. De beunhaas is de Laarmans van de academie. Hij is een handelaar
in gebakken lucht, maar hij is zeer geliefd bij universitaire bestuurders.
Hij wordt geprezen door de bewindvoerders en de ambtenaren van het
ministerie van Onderwijs en Wetenschappen. Hij brengt zijn geld dubbel en
dwars op, want hij doet geen gewone zaken, hij doet superzaken. Hij
verkoopt zijn ziel en zaligheid aan de hoogste bieder. Bedrijf noch
instelling zijn voor de beunhaas veilig. De beunhaas noemt zichzelf
directeur, toponderzoeker en bedrijfsadviseur. In zijn leerstoelgroep zijn
de onderzoeksresultaten per definitie geheim, want voor geld doet de
beunhaas voor eigen B.V. en universiteit alles. Geheim en vertrouwelijk,
knevelen en monopoliseren vormen zijn handelsmerk. Zijn onderzoekers noemen
hem in het geniep de dictator of de caudillo, maar het geld blijft binnen
stromen en de werkgelegenheid is gewaarborgd. Zijn laboratorium is het
universitaire verlengstuk van het bedrijfsleven. Hij geeft advies aan de
directie over van alles en nog wat. Met hem valt overal over te praten. Hij
schrapt de kritische passages nog voordat het artikel of rapport de
drukpers heeft verlaten. Hij voegt toe en nuanceert als het zo uitkomt. De
beunhaas kent zijn Pappenheimers in commercieel onderzoeksland.
Concurrentie is zijn toverwoord. Brutaliteit is hem op het lijf geschreven.
Als het ene bedrijf niet wil, dan trapt de andere firma er wel in. Als de
directie moeilijk doet, is er altijd nog een raad van toezicht of de raad
van commissarissen. Als het geld een probleem vormt komt er een lager
tarief op tafel. En als hem niets meer lukt, dan schrijft de beunhaas de
voorzitter van de ondernemingsraad een persoonlijke brief over
weigerachtige directeuren en luie commissarissen.

De beunhaas mag in de ogen van velen een handige jongen zijn, maar hij is
een malloot die op een echte universiteit niet thuis hoort. Niet omdat hij
met de commercie in zee gaat. Niet omdat hij onderzoeksgelden van het
bedrijfsleven aantrekt en zelfs niet omdat hij ook zijn eigen portemonnee
spekt. Maar wel omdat hij gemaakte afspraken over vertrouwelijkheid altijd
schendt want zijn onderzoeksresultaten kunnen het daglicht niet velen.

Kees de Hoog

Re:ageer