Organisatie - 1 november 2007

De praktische sociologie van De Hoog

De stadse socioloog prof. Kees de Hoog houdt zich vanuit Wageningen bezig met on-Wageningse thema’s. Hij schrijft over kwetsbare vrijgezelle mannen, hedonistische kinderlozen en de invloed van religie op de partnerkeuze. Donderdag 18 oktober sprak hij zijn afscheidsrede uit als hoogleraar Gezinssociologie. Officieel is hij nu met pensioen, al zal hij nog zeker een jaar doorwerken.

93_achtergrond0.jpg
Kees de Hoog kwam naar Wageningen door de volkstelling in 1971. De overheid wilde daar meer van maken dan een boek vol tabellen, en had verschillende universiteiten gevraagd de tellers te begeleiden met sociologisch onderzoek. De Rotterdammer kwam zo aan de landbouwhogeschool terecht en bleef daar hangen.
Problemen met de techniek zorgden ervoor dat de telling flink uitliep. ‘Er was gedoe met ponskaarten waar vlekjes op zaten. Die werden verkeerd gelezen door de computer, waardoor je gekkigheden kreeg als een meisje van vijftien met zeven kinderen. Dat was geluk voor mij, want het zorgde ervoor dat mijn aanstelling werd verlengd. Ik ben toen naar mijn hoogleraar gestapt met het idee om de gegevens uit het bevolkingsonderzoek te gebruiken voor een promotieonderzoek naar de factoren die partnerkeuze beïnvloeden.’
In eerste instantie reageerde de beoogde financier lacherig op dat plan. ‘Iedereen wist hoe partnerkeuze werd bepaald. Je wordt verliefd, en als dat een poosje aanhoudt, trouw je.’ Maar zo simpel blijkt de liefde niet te werken. ‘In die tijd was de kerkelijke gezindte verreweg de grootste factor. Je trouwde met iemand uit de eigen kerk. Het meisje van de bakker kon zo trouwen met de ingenieur. Er was trouwens één pittoreske uitzondering: onder streng gereformeerden ging het patroon niet helemaal op. Die trouwden juist niet met iemand uit een verwant kerkgenootschap, maar zochten het eerder verder weg.’
Inmiddels is de kerk vervangen door de school. ‘Nu is opleiding allesbepalend. Universiteit trouwt met universiteit, hbo met hbo, mbo met mbo. Daarbinnen heb je trouwens nog wel wat eigenaardigheden. Bij een koppel dat medicijnen heeft gestudeerd, wordt hij chirurg, zij kinderarts. Bij twee advocaten doet zij echtscheidingen, hij ingewikkelde financiële kwesties. Er blijven mannen- en vrouwenberoepen.’

Huishoudmiepen
De Hoog begon eind jaren zeventig ook met lesgeven. Hij werkte voor de vakgroep Huishoudkunde. ‘Wij hadden vooral meisjes uit de eerste generatie die naar de universiteit ging, vaak van het platteland, uit een beschermd milieu. Utrecht was voor hun ouders te gevaarlijk, maar Wageningen ging nog wel.’ Een heel andere groep dan de idealisten die de collegebanken bij de vakgroep Sociologie bezetten. ‘Daar zaten de wereldverbeteraars. De mensen die de Anjerrevolutie in Portugal gingen helpen en die er met hun Afghaanse jassen voor zorgden dat de collegezaal ’s winters naar natte hond rook.’
De Hoog had het niet zo op deze studenten ‘met een geestvernauwing’ die zich bezighielden met wekenlange discussies over ‘vervreemding’. Hij had liever de praktische sociologie van de huishoudmiep. ‘Er werden heel leuke onderzoekjes gedaan aan de eettafel. Hebben mensen schulden? Maken ze een boodschappenlijstje? Wat eten ze? Hoeveel tijd besteden ze aan koken? Dat klinkt niet zo gewichtig, maar zo leer je een maatschappij echt kennen. Zaken die nu erg in de belangstelling staan - levensstijlen, voeding, gezondheid - dat deden wij al heel lang.’
Bij de opening van het academisch jaar klaagde premier Balkenende over een zesjescultuur. De Hoog ziet juist het omgekeerde. Waar studenten vroeger een zes zo gek nog niet vonden, komen ze nu klagen over zevens en achten. ‘Studenten werken hard. Ik had pas twee dames op bezoek. Ze hadden een zeven en een acht van mij gekregen, en wilden een acht en een negen. Of ik kon uitleggen waarom ze geen hoger cijfer hadden gekregen. Een poosje geleden is een meisje in tranen en met slaande deuren vertrokken, nadat ik haar had verteld dat ik haar een zes wilde geven. Dat overkwam me vroeger nooit. Ik denk dat twintig procent van de studenten met eigen gedachten komt. Creatief onderzoek, dat tegen de stroom ingaat. Dat was in de jaren tachtig zo. En dat is niet heel veel anders geworden.’

Deskundoloog
De gezinssocioloog staat ongetwijfeld in de top van meest geciteerde Wageningse wetenschappers in Nederlandse kranten en op radio en tv. Voor de verkiezingen prees hij bijvoorbeeld het programma van de ChristenUnie, hij pleitte in zijn afscheidsrede voor verhoging van de kinderbijslag, en was juist weer kritisch over het huidige kabinet dat het gezin ‘tot een probleem maakt’.
De opkomst van De Hoog als deskundoloog begon met een optreden in een programma van roddelkoning Henk van der Meijden. ‘Ik was voorzitter van de raad van toezicht op de huwelijks- en relatiebemiddelingsbureaus, een club die in de gaten moest houden welke bureaus bonafide waren, en waar de rommelaars zaten. Ik had eerst geen zin in die show, maar het ministerie dat de raad betaalde, zag er veel in. Dat kan de doorbraak zijn. Dus ik met drie vrouwelijke klanten van relatiebureaus naar de studio. We zaten tussen Sjoukje Dijkstra en clown Popov.’
Een week later zat hij ook bij Sonja. ‘Die was boos omdat wij drie vrouwen zouden hebben tentoongesteld. Daarna heb je een naam bij journalisten. Dan blijven ze komen, daar hoef je niets voor te doen. Meneer de Hoog, hoe komt het dat alle vrouwen van boven de 35 ineens lesbisch worden? Die vragen laat ik lopen, maar verder werk ik graag mee.’
De Hoog was niet alleen een graag geziene gast in de media, hij schreef ook zelf in verschillende kranten. Dat begon eind jaren zeventig als redacteur van de Belhamel, het discussieblad van de Landbouwhogeschool Wageningen. ‘Ik ben zelfs even geschorst geweest vanwege een relletje. We hadden een verhaal over de kosten van een etentje van de bestuurders op kasteel Doorwerth in het kader van de Franse week van de winkeliers in Wageningen. Iemand van financiële zaken had ons de rekening van tienduizend gulden doorgespeeld. De dag dat we het artikel daarover afgedrukt hadden, werden wij gebeld door een razende meneer Maris, de secretaris van de hogeschool. Hij vertelde dat we niet op ons werk hoefden te verschijnen. Ik ben toen binnengelopen bij de collegevoorzitter, dat kon toen nog. Die zei: ga maar gewoon aan het werk, ik zal het even regelen.’

Bureaucratie
Inmiddels kan De Hoog niet meer zonder afspraak binnenlopen bij de bestuurders. ‘Dat was natuurlijk erg aardig aan Wageningen, maar het is logisch dat dat niet meer kan. Zo’n man zou geen leven hebben.’ Wel stoort hij zich aan de groeiende bemoeienis van bureaucraten met onderwijs en onderzoek. ‘Bij het hooglerarenoverleg kwam onlangs iemand vertellen hoe je onderwijs moet geven. Dat had Hofstee (hoogleraar Sociologie van 1946 tot 1980, KV) niet laten gebeuren, die had hem in zijn nekvel gepakt en op het plein gezet. Er is weinig erkenning voor de professionaliteit van mensen.’ Niet alleen voor hoogleraren, maar ook bijvoorbeeld voor secretaresses. ‘Die konden vroeger heel veel regelen. Nu zitten er zoveel lagen boven, en kan er niets meer zonder richtlijnen en procedures. Het lijkt wel een Pruisisch leger te velde met het hoofdkwartier aan de Costerweg’, zegt De Hoog.
‘Of denk aan studiecoördinatoren. Ik zette twintig jaar geleden op maandagmiddag mijn deur open voor vragen en problemen van studenten. Dat was amusant werk, je liep eens naar een docent om een mondeling te regelen voor een iemand die zes keer was gezakt. Of je wees een student de weg in het hoofdgebouw. Nu is de studiecoördinator vervangen door een voltijds opleidingsdirecteur. Waarom? Ik had wel hoop dat Plasterk een einde aan zou maken aan die toenemende bureaucratisering aan universiteiten, maar voorlopig zie ik daar nog niet zo veel van. Kennelijk is het lastig. Bureaucratie bouwt zichzelf op, maar hoe breek je haar af?’

Re:ageer