Wetenschap - 1 januari 1970

‘De natuur heeft teruggeslagen’

A&F-medewerker dr Wouter van Doorn genoot eind december op Koh Phi Phi van een vakantie, voordat hij weer een maand aan de landbouwuniversiteit van Thailand zou gaan lesgeven. Maar op tweede kerstdag moest hij zijn vakantiebungalow uit zwemmen. ‘Ik was niet in paniek, maar ik dacht wel: ik ga nu dood.’

Dr Wouter van Doorn was ten tijde van de tsunami op het Thaise eiland Koh Phi Phi. Zijn ervaringen heeft hij verwerkt in een boekje. / foto Guy Ackermans

Van Doorn werd die dag laat wakker. Op zijn telefoon zag hij dat het 10.41 was. En door het raam zag hij dat het net als de dagen daarvoor prachtig weer was. Toen hij koffie ging zetten bleek de vloer in zijn huisje nat. ‘Ik dacht: gewoon hoog water, want ik had me er al over verbaasd dat er zo weinig hoogteverschil was tussen de zee en de bungalow.’ Voor de zekerheid stopte hij enkele spullen die niet nat moesten worden in zijn koffer.
Het water bleef echter stijgen. ‘Toen het kniehoog stond besefte ik dat het niet goed ging en dat het misschien een tsunami was. Ik kom ook wel eens in Japan en weet dat er aardbevingen of tsunami’s kunnen optreden. Ik moest dus weg zien te komen.’ De tafels en stoelen dreven inmiddels door zijn vakantieverblijf. Door het hogere water buiten kreeg Van Doorn de deur niet meer open. Toen het water borsthoog stond en hij in zijn huisje zwom, ontstond er door het water een gat in een zijmuur. ‘Ik twijfelde of ik onder water door het gat zou zwemmen of zou proberen een ruit in te slaan. Maar op dat moment beukte de vloedgolf de wand met het raam eruit en kon ik naar buiten zwemmen. Gelukkig, want vlak daarvoor had ik het even niet meer zien zitten. Ik was niet in paniek. Ik ging in mijn hoofd heel rustig mijn mogelijkheden na. Maar ik dacht wel: ik ga nu dood. Nou dat is dan zo.’

‘Na afloop was het onvoorstelbaar stil. Alleen de vogels kwetterden nog gewoon in de bomen’
Bloedende voet
Samen met een Engelse jongen die hij buiten al zwemmend tegenkwam, klom Van Doorn op het dak van zijn bungalow, die in tegenstelling tot vele andere overeind was blijven staan. ‘Daar zag ik dat mijn enkel bloedde als een rund; en ik had er nog niks van gemerkt. Een meisje op een ander dak zei dat ik mijn T-shirt er strak omheen moest binden, ook al zou ik dan misschien verbranden. Dat is mijn redding geweest.’
De intervallen waarmee de golven kwamen werden groter. ‘Na afloop was het onvoorstelbaar stil. Alleen de vogels kwetterden nog gewoon in de bomen.’ De Engelse jongen besloot snel zijn vriendin te gaan zoeken - die hij ook vond - en Van Doorn klauterde met hulp van een andere vakantieganger ook van het dak. Het was toen half één. Hij vond zijn koffer terug en zijn rugzak, waarin toevallig zijn paspoort en geld zaten. ‘Bijzonder, want de meeste mensen waren alles kwijt.’
Rondlopen ging moeizaam: het was één grote rotzooi. Overal lagen planken, kleren, doeken, golfplaten, alles door elkaar. En het stonk naar benzine. Ook de halve baai lag vol rommel. ‘Ik wist dat er dode mensen tussen moesten liggen. Ook in de bungalows.’ Maar hij ging niet op zoek. ‘Ik durfde nergens naar binnen te gaan. Ik was, denk ik, vooral bezig mezelf te redden.’

Koekjes
Omdat de zee zich opnieuw terugtrok – iets dat kan duiden op een nieuwe vloedgolf - trok Van Doorn naar hoger gelegen rotsen, waar nog meer mensen zaten. Er kwam niets. Hij besloot zijn spullen op te halen en met zijn koffer en rugzak over het strand richting een hotel te gaan waarvan hij had gehoord dat er nog iets overeind stond. In één van de koelkasten die her en der lagen, vond hij gelukkig wat water. Zijn honger stilde hij met koekjes die, in plastic verpakt, de vloedgolf hadden overleefd.
Terwijl hij op het strand met zijn bagage zeulde, ontmoette hij een Zweed, die met zijn boot van een ander eiland was komen varen om gewonden op te halen. Van Doorn mocht met een tiental anderen met hem mee naar Phuket. Naast zwaargewonden zat er op de boot ook een echtpaar dat twee baby’s kwijt was. Dat trof hem het meest. ‘Toen had ik geen probleem meer.’
In een ziekenhuis in Phuket werd de wond in zijn voet gehecht. ‘In alle hoeken en gaten lagen gewonden, maar het was ongelofelijk goed georganiseerd.’ De volgende dag kon hij met een militair vrachtvliegtuig mee naar Bangkok. Hier verbleef hij een dag in een luxe hotel, hem aangeboden door de regering van Thailand, voordat hij naar de campus van de Kasetsart Universiteit bij Kam-Peng-Sen vertrok om zoals gepland les te gaan geven. ‘Ik had geen behoefte om naar huis te gaan. Ik relativeerde al veel en ben al vrij onthecht aan dingen. Maar nog niet aan mijn baan.’

Voltaire
Van Doorn heeft zijn ervaringen inmiddels verwerkt in een boekje. ‘Ik heb geen moment slecht geslapen van wat me was overkomen, maar wilde het toch van me af schrijven.’ Omdat hij zich naast zijn vakgebied - de fysiologische processen van geoogste bloemen, groente en fruit - met filosofie bezighoudt, kreeg zijn verslag ook een filosofische beschouwing.
Een essay uit de Engelse krant de Guardian zette hem op het spoor van de schrijver Voltaire en diens gedicht over de aardbeving in Lissabon in 1755. Voltaire veegt hierin de vloer aan met de gedachte dat de aardbeving Gods straf was. Waarom was London of Parijs dan niet getroffen? ‘Ook de kern van mijn betoog is dat er geen persoonlijke God is die rampen als aardbevingen regelt. De tsunami was gewoon toeval, en toeval is onderdeel van de natuur. Kijk maar naar de erfelijkheidsleer.’
De A&F-medewerker keerde begin februari nog terug naar het eiland Koh Phi Phi omdat hij wilde zien hoe alles er na de ramp uitzag. ‘Het was triest. Vijfhonderd van de naar ik schat vijfduizend mensen op het eiland zijn omgekomen. Hele stukken bebouwing zijn weggevaagd door de zee. De rotzooi was vaak nog niet opgeruimd. Maar tegelijkertijd was het eiland enorm opgeknapt. Door de bouw voor het toerisme was de natuur verziekt. De natuur heeft nu in zekere zin teruggeslagen.’

Yvonne de Hilster

Re:ageer