Wetenschap - 1 januari 1970

De lange lijdensweg van Ethologie

Na ruim tien jaar onrust valt in september definitief het doek voor Ethologie. De leerstoelgroep wordt opgeheven omdat de medewerkers ‘er samen niet meer uitkwamen’, aldus rector prof. Bert Speelman. De medewerkers vinden echter dat zij ten onrechte de Zwarte Piet krijgen. Prof. Berry Spruijt, de laatste echte hoogleraar van de groep, is het opmerkelijk genoeg met hen eens. ‘De bestuurlijke bemoeienis was in één woord een ramp’.

Het lijkt ondenkbaar dat er, juist in deze tijd met toegenomen aandacht voor dierenwelzijn, in Wageningen niet meer aan ethologie wordt gedaan. Kennis van gedrag is immers van essentieel belang om uitspraken te kunnen doen over het welzijn van landbouwhuisdieren. Tien jaar geleden nam de universiteit hier internationaal nog een leidende positie in, maar dat is verleden tijd. In de leerstoelgroep zijn nog twee medewerkers overgebleven, waarvoor momenteel de mogelijkheden voor herplaatsing worden onderzocht.
In officiële stukken worden de problemen bij Ethologie geweten aan het ontbreken van ‘een goede samenwerking en een eenduidige en gedragen visie op het vakgebied’. In de wandelgangen praat men over ‘ruzies’, een ‘juridisch mijnenveld’ en ‘een beerput waar je maar beter niet in kan roeren’. Dat de overgebleven medewerkers er zelfs niet meer in slagen met elkaar te communiceren en gezamenlijk een visie op te stellen was volgens de rector mede reden om de groep nu op te heffen. Het is dan ook niet eenvoudig ‘het ware verhaal’ achter de teloorgang van de leerstoelgroep Ethologie op te tekenen. Opmerkelijk is dat de interpretatie van de gebeurtenissen heel verschillend is, terwijl de verhalen van verschillende betrokkenen over de feiten sterk overeenkomen.

Wrijvingen
De direct betrokken managers, de voormalige en huidige voorzitter van het departement Dierwetenschappen prof. Pim Brascamp en dr Egbert Egberts, hebben geen zin zich in het publiek over de kwestie uit te laten, omdat de zaak in ‘juridisch vaarwater zit’. Brascamp: ‘Ik heb echt besloten er niks meer over te zeggen. Niet dat ik me niets herinner, ik heb een rijke historische kennis. Ik denk dat we de groep in het verleden genoeg kansen hebben geboden om de zaak niet te laten escaleren. Die kansen zijn toen niet gegrepen en nu is het gewoon te laat’.
Tien oud-medewerkers van de leerstoelgroep denken hier anders over. In februari van dit jaar lieten zij in een brief aan de rector weten zich ‘zorgen te maken over de toekomst van een vakgebied dat ons zeer aan het hart gaat’. Zij erkennen in deze brief dat er ‘binnen de groep wrijvingen waren’, maar naar hun mening is ‘niet alles in het werk gesteld om tot een constructieve oplossing te komen’. Vier gedelegeerden uit de groep - dr Liesbeth Bolhuis, drs Annemie Kersten, dr Willem Schouten en ing. Egbert Urff, - zijn bereid om namens deze groep hun visie op de problemen te geven. Zij vinden dat in de beeldvorming vooral het personeel de schuld krijgt, ‘alsof wij altijd rollend over straat gingen’. De echte fouten zijn volgens hen vooral gemaakt door het management.
Ogenschijnlijk ontstaan de problemen bij de leerstoelgroep Ethologie als prof. Piet Wiepkema, de internationaal erkende expert op het gebied van stress en gedrag bij landbouwhuisdieren, afscheid neemt en in 1994 door prof. Teun Schuurman wordt opgevolgd. Schuurman is een in Groningen opgeleide promovendus van Wiepkema die zijn sporen heeft verdiend bij de researchafdeling van de Duitse farmaciegigant Bayer.

Hoogleraar afgezet
Al spoedig blijkt dat Schuurman, die niet veel opheeft met de traditionele ethologie en relatief onbekend is met het Nederlandse academisch onderwijs, weinig aansluiting vindt bij de groep. De medewerkers verwijten hem dat hij niet boven de groep staat en te weinig leiding geeft. Een sessie op de heide brengt geen uitkomst en uiteindelijk zeggen op één na alle medewerkers het vertrouwen in de hoogleraar op. Om de problemen op te lossen besluit het departement eind 1995 Schuurman en zijn loyale medewerkster buiten de groep te plaatsen, om de groep een nieuwe start te kunnen geven.
De medewerkers zijn er achteraf van overtuigd dat het ‘afzetten van de hoogleraar’ - een weinig voorkomende fenomeen in de academische wereld - hen bij het management blijvend het predikaat ‘lastig’ heeft bezorgd. Ze denken dat het hun vooral kwalijk is genomen dat ze de hoogleraar ‘niet op sleeptouw hebben genomen’.
Van 1996 tot en met 1999, een opmerkelijk lange periode, staat de onderzoeksgroep onder leiding van interim-hoogleraren: eerst de Wageningse hoogleraar veehouderij prof. Jos Noordhuizen en later de Utrechtse etholoog prof. Jan van Hooff. Hoewel de meeste medewerkers positieve herinneringen bewaren aan die periode, betekent deze lange adempauze niet dat de problemen verdwijnen. In de eerste versie van het leerstoelenplan dat in 1999 wordt gepresenteerd, is de leerstoel Ethologie zelfs verdwenen.
In een cynische bui besluiten de medewerkers daarop een opheffingsborrel te organiseren, als een soort laatste stuiptrekking. Een week nadat ze met z’n allen stevig zijn doorgezakt, volgt een verrassing. Er wordt in het definitieve plan toch weer een halve leerstoel ingeruimd voor ethologie.

Interfaculteit
In het kader van de plannen voor de vorming van de Wagenings-Utrechtse interfaculteit vat het departement op dat moment het plan op om de ethologieleerstoel samen met de faculteit Diergeneeskunde vorm te geven. Interim-hoogleraar Van Hooff herinnert zich deze moeilijke situatie. ‘Ik was letterlijk maar een eendagsvlieg, die een dag in de week in Wageningen neerstreek. In die beperkte tijd heb ik geprobeerd een weg voor te bereiden voor een opvolger. Het was duidelijk dat er dingen moesten veranderen en samen met de departementsvoorzitter heb ik gezocht naar oplossingen. Ik vond wel dat de groep zich daarbij te sterk vastklampte aan de bestaande structuur’.

‘Iedereen werd op een zijspoor gezet, waardoor de groep wel móést doodbloeden’
Volgens Van Hooff was prof. Berry Spruijt, tot dan deeltijd hoogleraar bij het Centrum voor Dierwelzijn in Utrecht, ‘de ideale kandidaat’ om de integratie van de Utrechtse en Wageningse ethologie handen en voeten te geven. De deeltijdaanstelling van Spruijt in Wageningen, in 2000, stuitte bij de meeste medewerkers van de leerstoelgroep echter op onbegrip en verzet. Zij hadden het gevoel dat de belangen van de leerstoelgroep werden opgeofferd om een paradepaardje voor de interfaculteit te hebben. Zo werd er volgens de oud-medewerkers zware druk uitgeoefend om de nieuwe hoogleraar te accepteren, terwijl er geen sprake was van een normale benoemingsprocedure.
Spruijt zegt daarover: ‘Ik was in 1994 als tweede op de wachtlijst gezet na Schuurman. De benoemingsadviescommissie wist wat er in de markt te koop was en heeft besloten alsnog met nummer twee van die zes jaar oude lijst door te gaan. Ik heb in een bijeenkomst met de leerstoelgroep nog op de man af gevraagd of ze me wel zagen zitten. Het bleef toen doodstil. Als ze toen flink waren geweest en nee hadden gezegd, dan had ik het niet gedaan’. De oud-medewerkers brengen hier tegenin dat ze toen al ‘monddood’ waren gemaakt door de dreiging met disciplinaire maatregelen als ook deze benoeming zou mislukken.

Vertrouweling
Spruijt moet erkennen dat hij de bezwaren die de medewerkers hadden tegen een deeltijdaanstelling achteraf onderschrijft. ‘Daar heb ik mij echt op verkeken. Het is inderdaad niet mogelijk het gezicht van een groep te worden als je maar de helft van de tijd aanwezig bent. Maar het was natuurlijk oorspronkelijk juist de gedachte om de Utrechtse en Wageningse groep tot een eenheid te smeden’. Doordat de vorming van de interfaculteit in het voorjaar van 2002 op het niveau van de colleges van bestuur werd afgeblazen, zakte de bodem onder deze opzet weg.
Bij de medewerkers viel de komst van een extra universitair docent, een extraatje dat Spruijt bij zijn aanstelling had bedongen, niet in goede aarde. De groep had vanwege de grote toeloop aan studenten juist gevraagd om extra ondersteunend personeel. De in Utrecht gepromoveerde nieuwe medewerker werd toch vooral gezien als een soort zetbaas van de nieuwe hoogleraar.
Volgens Spruijt was de benoeming inderdaad mede bedoeld om een vertrouweling binnen de Wageningse groep te hebben. ‘Ik had behoefte aan een aanspreekpunt bij de leerstoelgroep. Iemand om mee te kunnen samenwerken. De club was in de loop der jaren geïsoleerd geraakt. Er heerste een cultuur van waarbij iedereen kon doen waar hij zin in had. Er was volstrekt geen gevoel meer voor hiërarchie. Misschien wel begrijpelijk, maar onderzoek doe je volgens mij nog steeds in een groep’, aldus Spruijt.
Begin vorig jaar trad de hoogleraar, die op het laatst nog maar een dag in de week in Wageningen was, definitief af. Voor de bestuurders was dit de druppel die de emmer deed overlopen.

Zachte heelmeesters
De oud-medewerkers vinden dat er vanaf 1995 continu met hen is gesold, terwijl er door iedereen heel hard werd gewerkt om de onderwijs- en onderzoeksverplichtingen na te komen. Ook wijzen zij er op dat de groep ondanks alles ‘uiterst productief is geweest’. Zij hebben het gevoel dat alle medewerkers langzamerhand allemaal op een zijspoor zijn gezet, waardoor de groep wel dood móést bloeden. Het past daarom niet dat het management ter verklaring van de opheffing nu met het vingertje naar het personeel wijst, terwijl het eigenlijk de hand in de eigen boezem zou moeten steken. ‘We willen niet met modder gooien, maar vinden echt dat het management hieruit lering zal moeten trekken’, aldus een van de oud-medewerkers.
Hun ‘tegenstrever’ Spruijt is het daar opmerkelijk genoeg grondig mee eens. Hij noemt het ‘onzin’ om nu opeens op te treden en hardwerkende medewerkers tot zondebok te maken. ‘Het management heeft het laten zitten. Binnen het departement ging het er wel collegiaal aan toe, maar verder was het bestuurlijk een ramp. De hele organisatie was volstrekt ondoorzichtig, waardoor niemand zijn verantwoordelijkheid nam. Er heerste een cultuur van pappen en nathouden en daarvoor geldt nog steeds: zachte heelmeesters maken stinkende wonden.’

Gert van Maanen, illustratie Henk van Ruitenbeek

Re:ageer