Organisatie - 13 februari 2014

De kloof overbruggen

tekst:
Nicolette Meerstadt

Wageningen ziet zichzelf als een internationale universiteit. Maar lesgeven in een internationale omgeving, dat kan lastig zijn. Door cultuurverschillen verloopt de communicatie met buitenlandse studenten en docenten niet altijd even soepel. Tijd voor actie, vinden sommigen.

Het zijn cijfers waar Wageningen University graag mee naar buiten treedt: een kwart van de studenten is van internationale herkomst, 143 nationaliteiten in totaal. Wie doet ons dat na? Wat daarbij echter zelden vermeld wordt, is dat zo’n internationaal gevarieerde studentenpopulatie ook een keerzijde kent. Onderwijs geven aan groepen vol verschillende nationaliteiten en culturen is voor docenten immers een stuk lastiger dan omgaan met het klassieke, homogeen Nederlandse groepje. Dat stelt docenten in Wageningen voor een extra uitdaging, zo weet ook Katja Teerds, universitair hoofddocent Dierwetenschappen. Ze herinnert zich nog hoe een buitenlandse studente in tranen uitbarstte toen ze een 6,5 voor haar scriptie kreeg. ‘Gezien de prestatie en haar vooruitgang vond ik dat een heel redelijk cijfer’, vertelt Teerds. ‘Een 6,5 drukt weliswaar uit dat je er nog lang niet bent, maar al met al was het oké.’ Zelf dacht de studente daar echter heel anders over, weet Teerds nog. ‘Bij haar thuis zouden ze een 6,5 als een onvoldoende zien. Drama, was het.’ Een andere les die ze leerde ging over nabijheid. ‘Wij zijn het niet gewend dat een student dicht tegen je aan komt staan als je uitleg geeft. In China is dat op de middelbare school heel gewoon.’

Herkenbare situaties, vindt de Amerikaanse hoogleraar Mick Vande Berg, auteur van het standaardwerk Students Learning Abroad. ‘Als we ons niet bewust zijn van de verschillende nationaliteiten die er in de klas zitten, zullen we niet erg effectief zijn in het overbrengen van kennis.’ Vande Berg was eind vorig jaar gastdocent bij de Teaching International Classroom, een jaarlijkse training voor Wage ningse docenten om beter te leren omgaan met cultureel gemêleerde groepen. Studenten die in Wageningen komen studeren hebben hoge verwachtingen, meent hij. ‘Dit is dan wel een Nederlandse universiteit, maar de voertaal is Engels. Buitenlandse studenten komen af op het predicaat ‘internationaal’. Daarom zou iedereen hier de bereidheid moeten hebben om zich aan te passen, niet alleen studenten, maar ook docenten. Dat is volgens hem niet alleen belangrijk om het gezamenlijke leerproces goed te laten verlopen. Het is ook een vaardigheid op zichzelf, die bovendien steeds belangrijker wordt. ‘Uit een recente studie blijkt dat in veel landen interculturele competenties belangrijker zijn dan technische kennis. Technische kennis veroudert immers snel, maar samen kunnen werken met andere culturen is een competentie die je je leven lang effectiever maakt.’

Gekleineerd
Volgens Vande Berg komen veel problemen en misverstanden voort uit verschillende houdingen, bijvoorbeeld ten opzichte van gezag. Bekend is dat Aziaten gewend zijn aan hiërarchische verhoudingen in tegenstelling tot bijvoorbeeld Nederlanders. Maar ook directe tegenover indirecte communicatie is een issue. ‘Noord-Europeanen zijn in de regel erg direct, ze zeggen waar het op staat. Aziaten zijn indirect en draaien om het punt heen zonder het uit te spreken’, vertelt Vande Berg. ‘Alleen tegen kinderen en dieren zeggen ze waar het op staat. Dus als je direct tegen hen bent, kunnen ze zich gekleineerd voelen.’

Gesprekken in een onderwijsgroep kunnen volgens Vande Berg bovendien gemakkelijk uit de hand lopen door verschillende opvattingen over het tempo van de dialoog. ‘In westerse landen laten mensen elkaar uitpraten tijdens een gesprek, voor ze antwoord geven. In Latijnse landen onderbreken mensen elkaar bij wijze van aanmoediging en als prikkel voor nieuwe ideeën. Maar in Japan is het normaal om een stilte te laten vallen als de ander is uitgepraat, tot wel een halve minuut. Je kunt je voorstellen wat er gebeurt in een college waar deze drie groepen vertegenwoordigd zijn.’ Vande Berg benadrukt wel dat dit stereotypen zijn. Cultuur is niet hetzelfde als nationaliteit, en individuën voldoen niet per se aan dit standaardbeeld. Het laatste dat je moet doen is mensen aanvallen op hun cultuur, adviseert Vande Berg. Want zodra je dat doet worden ze minder flexibel. ‘Ze krijgen dan een gevoel van: dit is een deel van mij, ik kan en wil dit niet veranderen.’

Mondiger

Een van degenen die de masterclass van Vande Berg volgden was Katja Teerds. Sinds de cursus houdt ze er meer rekening mee dat wat ze doet anders kan overkomen dan ze het bedoelt, dat sommige studenten haar grof vinden of verkeerd begrijpen. Sinds de cursus overweegt ze ook om te stimuleren dat studenten tijdens groepswerk andere nationaliteiten opzoeken. ‘Je merkt dat studenten graag samenklitten met hun landgenoten. Je hebt dan altijd een restgroepje. Nu denk ik erover na of ik daar wat aan ga doen. Het kan een mooi leermoment zijn.’ Toch zijn er ook grenzen aan de mate waarin ze zich naar de culturele achtergrond van haar studenten voegt, vindt Teerds. ‘Ik blijf wie ik ben. Bovendien is het niet haalbaar om in een klas precies te weten wie er meedoen en hoe ze in het leven staan.’

De tijd van analyses is voorbij, nu moet het beleid handen en voeten krijgen

Ook van haar studenten verwacht ze niet dat ze zich volledig aanpassen. Haar PhD-er uit China wordt weliswaar mondiger, maar het respect voor iemand die hoger in de hiërarchie staat zal altijd blijven. ‘Je kunt niet verwachten dat dat verandert, maar je moet er wel mee leren werken.’ Die laatste woorden zijn Marijke van Oppen uit het hart gegrepen. Van Oppen is als aanjager van interculturele communicatie binnen Wageningen UR verantwoordelijk voor de cursus Teaching International Classroom. Maar daar komen naar haar smaak te weinig mensen op af. ‘Docenten zijn enthousiast, maar het is op vrijwillige basis en ze hebben het razend druk’, zegt ze. Wat haar betreft is de universiteit toe aan een volgende stap waarbij het aanleren van intercultureel lesgeven voor docenten minder vrijblijvend wordt.

‘Er zijn hele goede beleidsstukken geschreven, en de raad van bestuur heeft internationalisering hoog op de agenda staan. Maar de tijd van analyses is voorbij, nu moet het beleid handen en voeten krijgen.’ De huidige cursus is een mooi begin, maar het kan verder gaan. Van Oppen: ‘Het is natuurlijk een mythe dat je in één workshop cultureel competent kunt worden. Het moet ingebed worden in de organisatie. Daartoe moeten de hogere echelons het beleid adopteren en uitdragen.’ Katja Teerds is het daarmee eens. ‘Het lijkt me een goed idee om intercultureel lesgeven een vast onderdeel van de Basiskwalificatie Onderwijs te maken. Die kennis is belangrijk om studenten beter te kunnen bereiken en om hen beter voor te bereiden op een internationale toekomst.’

Illustratie: Kito



Re:ageer