Wetenschap - 1 januari 1970

‘De klappen zijn groot, maar we hebben niet zitten afwachten’

Mensen uit zijn omgeving noemen hem een rasoptimist, maar algemeen directeur Plant Sciences Group prof. Martin Kropff kan ook een realist zijn. ,,De realiteit is dat we in een lastige situatie zitten. Het is financieel gezien zwaar weer, dat betekent dat we alle zeilen moeten bijzetten, heel scherp moeten koersen en de kansen, die er wel degelijk zijn, moeten grijpen.’’

,,Alle onderdelen hebben dankzij een enorme inspanning het afgelopen jaar positieve cijfers laten zien.’’ Somberheid is een karaktereigenschap waar Kropff weinig mee heeft. Als je naar de cijfers kijkt is de situatie bij de Plant Sciences Group echter verre van rooskleurig. De kenniseenheid, waarin het Praktijkonderzoek Plant en Omgeving (PPO), Plant Research International en het departement Plantenwetenschappen van de universiteit samenwerken, heeft te maken met flinke tegenvallers.
In het afgelopen jaar kregen PPO en Plant Research International zo’n zes miljoen euro minder financiering vanuit het ministerie van LNV. Voor 2004 zal de afname in dezelfde orde van grootte liggen. Alles bij elkaar loopt de LNV-financiering in de periode 2002-2005 met 38 miljoen euro terug. Het is een aderlating die nauwelijks wordt goedgemaakt door groei in het onderzoek voor het bedrijfsleven. Bedrijven zijn vanwege het economisch tij terughoudend bij het doen van investeringen. De situatie bij het departement Plantenwetenschappen lijkt minder ernstig: de financiering uit centrale middelen (‘de eerste geldstroom’) neemt in 2004 met anderhalf miljoen euro af. Een aantal leerstoelgroepen wordt extra zwaar getroffen door tekorten die oplopen tot twee ton, als gevolg van de herverdeling in de vergoedingen vanuit de universiteit. In het businessplan waaraan de Plant Sciences Group momenteel de laatste hand legt, wordt in ieder geval uitgegaan van een gemiddelde afname van het personeel van twintig procent (15 procent bij onderzoek, 25 bij staf en 50 bij ondersteuning faciliteiten).

Personele krimp
,,De klappen zijn inderdaad groot,’’ beaamt Kropff, ,,maar we hebben ze wel zien aankomen. Het is niet zo dat we hebben zitten afwachten en er nu opeens iets moet gebeuren. We hebben twee jaar geleden al de gelegenheid genomen eens goed te kijken wat er allemaal om ons heen gebeurt. De trend dat LNV minder geld wil inzetten voor technisch onderzoek ter ondersteuning van haar beleid was voor ons aanleiding aan de bel te trekken en actie te ondernemen.’’ Dat verklaart volgens hem dat PPO en Plant Research International het afgelopen jaar niet in de rode cijfers zijn gekomen. ,,Dat we geen verlies hebben gedraaid is echt een enorme prestatie.’’ De noodzakelijke personele krimp noemt Kropff een ‘heel intensief proces’ waarvoor een zwaar beroep wordt gedaan op de flexibiliteit van de medewerkers en waarbij geprobeerd wordt zo zorgvuldig mogelijk te handelen. In het afgelopen jaar is al een deel van de beoogde krimp gerealiseerd: de stafafdelingen zijn bijvoorbeeld volgens Kropff al zo’n vijftien procent gekrompen.
Ook wordt gericht geprobeerd de mobiliteit en samenwerking tussen de verschillende onderdelen van Plant te bevorderen. Hiertoe zijn vijf zogeheten expertisegroepen gevormd die voor een afgebakend vakgebied, bijvoorbeeld Biodiversiteit en Veredeling, samen nieuwe grote initiatieven voor de markt opzetten en personeel uitwisselen. Kropff: ,,Zo bleek dat er bij Plant Research International niet genoeg opdrachten waren op het gebied van plantenveredeling, terwijl bij de leerstoelgroep Plantenveredeling juist extra mensen nodig waren. Door interne mobiliteit hebben we zo twee problemen opgelost.’’
Om de financiële problemen het hoofd te bieden wil de Plant Sciences Group ook nadrukkelijker het ondernemerschap van haar medewerkers stimuleren. Kropff: ,,Het gaat daarbij niet alleen om de oprichting van spin-offs, want daar vang je de recente klappen niet mee op. Juist intern is veel winst te behalen als medewerkers die een kans zien ook hun verantwoordelijkheid nemen en tot actie overgaan. We moeten niet naar elkaar blijven kijken en afwachten tot iemand zegt dat je iets moet doen, maar zelf aan de slag gaan. Als de plannen realistisch zijn willen wij mensen ook echt de ruimte geven die te realiseren.’’

Innovaties nodig
Kropff ziet ook mogelijkheden om grote initiatieven van de grond te tillen. Als voorbeelden noemt hij de publiek-private samenwerking binnen het Centre for Biosystem Genomics en het Parapluplan Phytophthora. Kropff: ,,Phytophthora is in Nederland zo ongeveer het grootste gewasbeschermingsprobleem, waarvoor in de aardappelteelt grote hoeveelheden bestrijdingsmiddelen worden ingezet. Minister Veerman heeft duidelijk gemaakt dat hij er wel wat voor over had als er een geïntegreerd plan van aanpak zou komen. Die handschoen hebben we samen met de sector opgepakt. Het gaat dan ook om fundamentele onderzoeksvragen die niet alleen PPO en Plant Research International aangaan, maar waaraan ook de universiteit een belangrijke bijdrage kan leveren.’’
Kropff erkent dat de perspectieven voor de Nederlandse landbouw wisselend zijn, maar ziet toch vooral lichtpuntjes en kansen. ,,De glastuinbouw gaat geweldig, en als het in een sector al slecht gaat betekent dat niet dat er geen onderzoek nodig is om een goede toekomst voor te bereiden. Goede bedrijven investeren juist anticyclisch omdat zij zich realiseren dat innovaties juist nodig zijn om ervoor te zorgen dat je nieuwe markten kunt aanboren als de economie weer aantrekt.’’ Zo onderzoekt de Plant Sciences Group voor farmaceutische bedrijven de mogelijkheid geneesmiddelen door planten te laten produceren. De plantenwetenschappers gaan zich ook nadrukkelijker bezighouden met allergieproblemen door bijvoorbeeld planten te veredelen die glutenvrij zijn. Kropff benadrukt dat zulke grote initiatieven alleen van de grond kunnen komen als ze in nauwe overeenstemming met de markt en Wapeningenbreed worden getrokken, zoals binnen het Allergie Consortium Wageningen.
Ook wordt de internationale markt en met name Europa volgens Kropff voor Plant steeds belangrijker. ,,We zijn domweg te groot voor Nederland. Nu richten veel overheden in Europese lidstaten zich nog op de eigen kennisinstellingen, maar daar komt toch steeds meer beweging in. Voor veel bedrijven zijn wij een interessante speler omdat we het hele veld bestrijken van praktijk-, strategisch en fundamenteel onderzoek. In de genomics scoren we in Europees verband erg goed. Dat hebben we echt te danken aan flinke investeringen in het verleden. Als je voorop wilt lopen zul je dit moeten blijven doen. Stilstand is achteruitgang’’, aldus Kropff.

Onderwijs
Kropff vindt dat de uitgangspositie van de Wageningse plant- en gewaswetenschappen nog steeds goed is. ,,Kwaliteit is niet ons grootste probleem, de onderzoekskwaliteit is gewoon goed’’. Het steekt hem wel een beetje dat er nogal eens meewarig wordt gedaan over het onderwijs, omdat er weinig studenten op de opleidingen plantwetenschappen en biologische productiewetenschappen afkomen. ,,Uit de onderwijsdatabase blijkt dat we achttien procent van het onderwijs van de universiteit verzorgen voor in totaal achttien opleidingen, en de kwaliteit is onomstreden’’, aldus Kropff. Wel is volgens hem duidelijk dat het nieuwe financieringsmodel het departement dwingt nog eens goed te kijken of de onderwijsinspanningen wel in overeenstemming zijn met de vergoeding die ervoor ontvangen wordt.
Ondanks alle sores is Kropff, die twee jaar geleden als hoogleraar Gewas- en onkruidecologie de overstap maakte naar het bestuurlijke circuit, niet teleurgesteld in zijn nieuwe functie. ,,Je kunt het geloven of niet, maar ik vind het nog steeds ontzettend leuk om te doen. Overal waar je komt zijn mensen met een passie voor onderzoek of onderwijs bezig. Ik vind het heel belangrijk om te horen waar men aan werkt en wat er leeft. Dat is ook een reden voor de halve dag in de week die ik op de leerstoelgroep zit. Ik houd me daar vooral bezig met het begeleiden van een aantal promovendi. Het blijft leuk om met wetenschap bezig te zijn.’’

Gert van Maanen

Re:ageer