Wetenschap - 1 januari 1970

De ene varkenshouder is de andere niet

De ene varkenshouder is de andere niet


Verandert de houding van industrie en overheid niet, dan zullen er over
dertig jaar geen gezinsbedrijven meer bestaan in de varkenshouderij. Dat
voorspelt dr. Monica Commandeur op basis van haar promotieonderzoek onder
varkenshouders in Twente en de Achterhoek.

Banken, toeleveranciers en overheid moeten er meer rekening mee houden dat
niet elke varkenshouder hetzelfde wil met zijn bedrijf. De een wil winst
maken door forse investeringen, maar de ander vindt het belangrijker het
gezinsbedrijf te behouden en maakt van winst geen prioriteit.
Commandeur interviewde ruim tachtig varkenshouders en vroeg ze wat hun
ambitie is met hun bedrijf. Ze combineerde dat met gegevens over de
bedrijfsvoering. Tot slot vroeg ze de boeren hoe ze in praktijk zin geven
aan hun werk. In die zingeving ziet ze de combinatie van ambitie en
bedrijfsvoering, namelijk hoe de boer met zijn type bedrijf zijn ambitie
wil bereiken. Op basis daarvan verdeelde ze de bedrijven in vijf
bedrijfsstijlen, die ieder anders omgaan met milieu, varkens en bedrijf.
Een stijl is wat Commandeur het type ‘ondernemer’ noemt. Die richt zich op
de markt en wil de productie maximaliseren door de efficiëntie te verhogen.
Hij investeert flink om de concurrentie voor te blijven. Een andere stijl
is de ‘vakman’. Deze lijkt op de ondernemer, maar wil met zo weinig
mogelijk arbeid maximaal produceren. Deze beide stijlen zien het varken als
een economisch productiedier. Anders is dat bij de zogenaamde ‘takhouder’.
Die voelt zich verbonden met de bedrijfstak. Hij ontleent zijn
boerenidentiteit aan het houden, huisvesten en verzorgen van varkens. Het
varken als dier staat dan ook centraal. Ze investeren minder en vinden
winst maken minder belangrijk. Dat geldt ook voor de ‘erfhouder’. Bij hem
staat het erf centraal. Het zijn familiebedrijven die een inkomen voor zijn
gezin wil veilig stellen, maar daarvoor niet alleen varkens houdt maar vaak
een gemengd bedrijf heeft met ook akkers, koeien en kippen. Laatste stijl
is de ‘afbuiger’. Dit zijn de boeren die hun bedrijf afbouwen of afstappen
van de varkenshouderij als belangrijkste bron van inkomsten.
Commandeur vindt dat banken, toeleveranciers en beleidsmakers van de
overheid meer moeten meedenken met de boer. En daarbij niet van een en
dezelfde ambitie uit moet gaan. Nu wordt vaak als vanzelfsprekend uitgegaan
van de ambitie schaalvergroting en winstmaximalisatie, maar veel
varkenshouders hebben hele andere wensen. Leningen van banken zouden daar
op toegespitst moeten zijn. Ook regels rondom mest en groepshuisvesting van
de overheid moeten op de stijl toegespitst worden. Gebeurt dat niet, dan
zullen er over dertig jaar geen varkenshoudende gezinsbedrijven meer
bestaan, voorspelt Commandeur. Want de erfhouders en takhouders willen de
investeringen die de overheid verlangt niet doen, en de ondernemers en
vakmannen willen wel investeren maar hebben daar in Nederland niet de
ruimte voor en worden op concurrentie op kostprijs ingehaald door
varkenshouders in Oost Europa. | J.T.

Monica Commandeur promoveerde 13 juni bij prof. Martin Verstegen,
hoogleraar diervoeding, en prof. Jan Douwe van der Ploeg, hoogleraar rurale
sociologie.

Fotobijschrift:
Bij ‘erfhouders’ staat het erf centraal. Op zulke familiebedrijven worden
naast varkens ook vaak andere dieren gehouden. | Foto Guy Ackermans

Re:ageer