Organisatie - 18 augustus 2011

De eeuwige transformatie, Een kleine geschiedenis van Wageningen UR

Hoeveel scholen en instituten er uiteindelijk zijn opgenomen in de Wageningen UR? Niemand die het precies kan zeggen. Maar de onbeduidende agrarische opleiding in Wageningen uit 1871 bleek tegen ieders verwachting in een blijvertje. Het verhaal van het lelijke eendje dat uitgroeide tot zwaan kleef aan.

22-23-Tijdbalk-WUR-2.jpg
Het had maar een haar gescheeld of  Wageningen was net zo'n onwaarschijnlijke plaats geweest om te studeren als Borculo, 's Heerenberg of  Warffum. Drie namen die in de tweede helft van de negentiende eeuw ook werden genoemd als mogelijke vestigingsplaats voor een instelling van hoger onderwijs. Landbouwonderwijs welteverstaan. Want het springt misschien niet meer zo in het oog, door fancy benamingen als duurzame voedselproductie, animal sciences of kust- en zeemanagement, maar de wortels van Wageningen UR zijn puur agrarisch.  
In 1815 geeft Koning Willem I een eerste aanzet tot hoger landbouwonderwijs. Aan de universiteiten in Leiden, Utrecht en Groningen stelt hij  leerstoelen Landhuishoudkunde in, bedoeld om predikanten agrarische beginselen bij te brengen, die zij dan op hun beurt aan boeren moeten overbrengen. Een doodgeboren kindje zo blijkt al snel. De studenten hebben geen enkele feeling voor deze nieuwe taak.
Daarna is het de beurt aan het particulier initiatief. In Groningen en Haren sticht prof. H.C van Hall in 1842 de Landhuishoudkundige School, die nauw samenwerkt met de universiteit. Zijn innovatieve ideeën over het combineren van praktisch en theoretisch onderwijs stuiten echter op verzet, onder meer van kabinetsleider Thorbecke. Uiteindelijk moet de school daardoor in 1871 de deuren sluiten. Maar het idee van hoger agrarisch onderwijs beklijft wél.
In Wageningen (1873) en Warffum (1870) ontstaan nieuwe initiatieven. In Wageningen begint die als een soort kopstudie aan de gemeentelijke HBS. Mede door de ferme financiële toezeggingen van het gemeentebestuur is onderwijsinspecteur W.C.H. Staring bijzonder geporteerd van Wageningen. 'De landlieden', aldus de onderwijsinspecteur, hoeven daar niet beducht te zijn 'voor eene te sterke ontwikkeling van stadsbegeerten en steedsche neigingen bij hunne zonen'. Verder is er een grote verscheidenheid aan grondsoorten en bedrijfsvormen. En als laatste pre: de nabijheid van de spoorweg.
Miniatuurhogeschoooltje
De nieuwe school begint aarzelend, maar weet mede door het goede klimaat op de zandgrond de beste docenten weg te lokken uit het kille Warffum, waar de concurrentie in 1875 de poorten sluit. In Wageningen daarentegen groeit de school in 1876 uit tot Rijkslandbouwschool en vervolgens tot Hoogere Land- en Boschbouwschool. Tegen de tijd dat in 1901 het eerste meisje zich meldt, een dochter van een van de docenten,  heeft de school gemiddeld zo tussen de zestig en honderd leerlingen.
In 1918 volgt de verheffing tot academische instelling onder de naam Landbouwhogeschool. Die opwaardering verloopt niet zonder slag of stoot. Al is het maar doordat vanuit Delft wordt geageerd tegen de ir-titel voor afgestudeerden van een 'minder diepgaande opleiding'. De sterkste oppositie komt echter van de universiteit van Utrecht, die aast op academisch landbouwonderwijs- en onderzoek. De kritiek vanuit die hoek is niet mals. De geestelijke atmosfeer aan een 'miniatuurhogeschooltje'  zou 'onfris' zijn en men zou er 'de kijk verliezen op de universele wetenschap'. Maar Utrecht heeft het nakijken, onder meer doordat  Wageningen door de komst - vanaf 1877 - van een reeks landbouwkundige onderzoeksinstituten flink aan soortelijk gewicht heeft gewonnen.
Tientallen jaren later volgt een nieuwe poging. In 1996 arriveert een brief waarin Utrecht aanbiedt de Landbouwuniversiteit Wageningen onder haar vleugels te nemen. De studentenaantallen in Wageningen lopen terug  - naar ongeveer 900 eerstejaars per jaar-  waardoor het zelfstandig bestaan op de tocht komt te staan. De faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht, aldus de brief,  wijst per jaar ongeveer net zo veel studenten af als er in Wageningen met hun studie beginnen.
Van Hall Larenstein
Onder meer angst om inderdaad de autonomie te verliezen, leidt tot een forse herstructurering: in 2000 gaan de universiteit en de, inmiddels al in een fusieproces verwikkelde, landbouwkundige instituten (zie kader) samen tot Wageningen UR. In 2004 wordt ook plaats ingeruimd voor de hogeschool VHL, een bestuurlijke samensmelting uit 2003 van het Van Hall Instituut in Leeuwarden en de Internationale Agrarische Hogeschool Larenstein in Velp. Deze tot elkaar veroordeelde instellingen zijn dan al geoefende fuseerders.     
Het Van Hall Instituut is het resultaat van een fusie in 1995. De Agrarische Hogeschool Friesland ging daarbij samen met het Professor Van Hall Instituut uit Groningen, geen rechtstreekse nazaat van de Landhuishoudkundige School uit 1842, maar wel in naam de erfopvolger.
De Hogeschool Larenstein is vernoemd naar het kloosterlandgoed in Velp waar de Hogere Bosbouw en Cultuurtechnische school in 1974 haar intrek neemt. De opleiding komt voort uit de cursussen die de Nederlandsche Heidemaatschappij in 1903 opzet  voor bosbazen en opzichters. In 1988 volgt een fusie met de Wageningse laboratoriumopleiding Stova (later weer van de hand gedaan), de Rijks Hogere School voor Tuin- en Landschapsinrichting uit Boskoop en de Rijks Hogere Landbouwschool uit Deventer (tropische landbouw). De nieuwe partners vestigen zich op Larenstein, met uitzondering van Deventer, dat zich met hand en tand tegen een verhuizing verzet. Uiteindelijk krijgt deze school in 2006 een plek in het Forum-gebouw, in het hart van de Wageningse moederschoot.
Afkortingen-archief
Eind vorige eeuw moet Wageningen een eldorado zijn geweest voor ontwerpers en drukkers van briefpapier. Binnen de overkoepelende Dienst Landbouwkundig Onderzoek (DLO), later Stichting DLO, regen fusies en naamswijzigingen zich aaneen. Zo was het ontstaan in 2000 van Plant Research International (PRI) het slotakkoord van een enorme sanering van talloze plantkundige deelkoninkrijkjes. Even vasthouden: IVT (tuinbouwveredeling), SVP (akkerbouwveredeling), ITAL (gebruik atoomenergie) en de Genenbank (later als GCN weer verzelfstandigd) gingen op in het CPO, dat nog geen jaar bestond waarna een fusie volgde met het CRZ, een samenvoeging van het RIVRO (rassenonderzoek) en het RPVZ (zaadonderzoek), De combinatie die zo ontstond, het CPRO (later CPRO-DLO), ging uiteindelijk samen met het IPO (plantenziekten) en AB - een fusie van CABO (agrobiologisch onderzoek)  en IB (bodemvruchtbaarheid). Nu, ruim tien jaar later is bij het PRI - ruim zeshonderd medewerkers - van al die bloedgroepen weinig meer terug te vinden; er kwam nieuwe huisvesting in het gebouw Radix op de Campus en het onderzoek werd niet langs oude scheidslijnen, maar meer thematisch georganiseerd.

Re:ageer