Wetenschap - 1 januari 1970

De eenzame roker

De roker heeft het zwaar sinds een jaar geleden de rookvrije werkplek bij wet verplicht werd. Ook binnen Wageningen UR. Hier en daar staat een rookzuil waar legaal geïnhaleerd kan worden, maar vaak moet de roker blauwbekken voor de deur of in het fietsenhok. Het is bijna nieuwjaar, tijd voor goede voornemens.

’Gezellig’ onder de rookparaplu in het oude Imaggebouw. Er zit een afzuiger in die aangaat zodra er iemand onder de paraplu gaat staan. / foto’s Guy Ackermans

Het is eenzaamheid troef voor de roker, sinds de overheid hem uit openbare gebouwen verbannen heeft. Een rondje bellen leert dat ook binnen Wageningen UR de roker zich meer en meer alleen voelt staan. Letterlijk. In de pauzes van vergaderingen, colleges of congressen staat de nicotineverslaafde buiten of ergens in een verdomhoekje zijn ding te doen. Treft hij of zij daar toch nog een verdwaalde lotgenoot, dan ontstaat er zonder uitzondering een warme band tussen deze laatsten der mohikanen.
Toch is het, ondanks deze ontmoedigingspolitiek, een illusie dat de roker een uitstervende soort is. Het percentage rokers in Nederland was in 1990 37 procent, daalde gedurende het vorige decennium naar 33 procent en wordt nu geschat op 30 procent (CBS, Stivoro). In dat tempo kan het lang duren voor de laatste peuk is gedoofd.

In pauzes staat de nicotineverslaafde ergens in een verdomhoekje zijn ding te doen
Om de paffende medemens in de tussentijd niet tot paria te maken, hangt aan het rookverbod in openbare gebouwen de aanbeveling om faciliteiten te bouwen waar rokers wel terecht kunnen. Dat is geen verplichting, maar een gunst waar managers naar eigen inzicht invulling aan kunnen geven. Het bouwen van die faciliteiten kan flink in de papieren lopen, en niet elke manager kiest voor die investering in de arbeidsvreugde van rokende medewerkers. Boze tongen beweren dat juist ex-rokende managers wars zijn van het bieden van rookplekken.

Junks
Zodoende bestaan er grote verschillen binnen Wageningen UR tussen de geboden faciliteiten. Het strengste instituut is Plant Research International. Daar is geen ruimte voor rokers, en sterker nog, het is bovendien verboden te roken binnen een straal van vijfhonderd meter van het gebouw. Junks voor de hoofdingang worden blijkbaar als niet representatief gezien.
Ook uit het groene instituut Alterra is de roker geheel verbannen. In het gebouw van het LEI in Den Haag is daarentegen een hok van drie bij drie meter waar gerookt mag worden. Een getergde roker vertelt dat wie in het hok gaat roken daar zodanig stinkend uitkomt dat het weinig gebruikt wordt. Bij A&F is de rookhoek toen het rookverbod inging verbouwd tot rookruimte. ‘Maar we zijn nog maar met weinigen’, zegt een roker daar.
In het oude Imaggebouw, waar de maatschappijwetenschappers tijdelijk zitten tijdens de verbouwing van de Leeuwenborch, zijn rookzuilen gebouwd. Het zijn een soort parasols die lucht gaan afzuigen zodra je er onder gaat staan. Een van oudsher fervent rokende secretaresse vertelt dat ze sinds het rookverbod drie minuten moet lopen naar zo’n rookzuil. ‘Dat is tijdverlies. Ik rook nu nog maar een sigaret per uur, in plaats van drie. Maar door alle ergernis heb ik juist meer behoefte aan roken.’

Nicotinemonster
Ook bij het RIVO en in Lelystad zijn paraplu-vormige rookzuilen gebouwd. ‘Je staat er wel een beetje te koop onder zo’n paraplu’, verzucht iemand daar. In het bestuurscentrum zijn speciale hokken gebouwd met afzuiginstallaties en luchtfilters. Wie wil weten wat er leeft onder de bestuurders, begeve zich daar, aldus een rokende woordvoerder. Op enkele vakgroepen van de universiteit hebben medewerkers heimelijk een compromis bedongen waarbij roken op de eigen kamer gedoogd wordt.
Uitzondering op deze wat treurige opsomming vormt natuurlijk het WICC. In het congrescentrum met horecavergunning mag in de lobby van het hotel gerookt worden. Rokers wisselen daar blikken van verstandhouding uit die verwijzen naar de goede oude tijd toen overal nog gerookt werd.
Veel rokers zouden diep in hun hart natuurlijk het liefst bevrijd zijn van hun onhebbelijke gewoonte. Maar het is een gedachte die ergens verstopt zit achter doorrookte hersencellen, en het nicotinemonstertje – zoals Allen Carr dat zo mooi genoemd heeft – geeft zich niet zomaar gewonnen. Met het rookverbod in openbare gebouwen wijst de overheid op irritante wijze de roker op zijn eigen – verdrongen - goede voornemen. En zo besluiten veel rokers, half gedwongen, de pijp dan maar aan Maarten te geven.
Ook ondergetekende houdt het voor gezien. Nooit meer blauwbekken in een portiek, nooit meer eenzaam paffen in een verdomhoekje. Maar tekenend is wel dat dit verhaal, gecombineerd met goede voornemen, al weken op de plank ligt. Want stoppen is mooi, maar wel liever morgen dan vandaag.

Joris Tielens

Re:ageer