Wetenschap - 1 januari 1970

‘De bouwstenen zijn goed’

Precies een jaar is prof. Ruud Huirne nu in dienst als algemeen directeur van de Animal Sciences Group. Vrijwel vanaf het begin kreeg hij te maken met tegenslagen. In het herstelplan Focus 2006 komen 200 van de 750 banen die verloren gaan uit zijn kenniseenheid. ‘We moeten nu ons verlies nemen, hoe lullig dat ook is’.

Prof. Ruud Huirne. / foto Guy Ackermans

Het is koffietijd, maar de kantine van de Animal Sciences Group in Lelystad is op vrijdagmorgen bijna uitgestorven. Verdeeld over twee tafels zit een twintigtal medewerkers. De stemming aan de tafel met ‘rebelse medewerkers van het praktijkonderzoek’ lijkt er – ondanks de dreigende reorganisatie - goed in te zitten. Er wordt nog gelachen. ‘Volgend jaar zit één van ons vieren hier niet meer’, constateert een van de aanwezigen nuchter. ‘We weten al een jaar dat er iets gaat gebeuren, maar nog steeds niet precies wat. Het is een soort stilte voor de storm, een absurde situatie, misschien kun je Ruud vragen hoe lang dit nog gaat duren’, suggereert een ander.
‘Ik ben het volledig met ze eens, het duurt allemaal veel te lang’, erkent prof. Ruud Huirne even later op zijn werkkamer. ‘We hebben sinds oktober de cijfers al op een rijtje staan, maar wachten nog steeds op het akkoord tussen de raad van bestuur, de ondernemingsraad en de vakbonden. Dat is voor iedereen heel erg frustrerend, maar voor de mensen van het praktijkonderzoek is het extra zuur. Die kregen al een jaar eerder te horen dat het niet goed ging en wachten nog steeds op de implementatie’, aldus Huirne.

Achterdeur
Waarom het overleg zo lang duurt, weet hij ook niet (‘ik zit er niet bij’), maar hij ziet wel een lichtpuntje: ‘Liever een zorgvuldig akkoord dan rausjwerk. De medewerkers hebben zich jarenlang ingezet voor onze organisatie. We hebben een goed convenant nodig waarmee de noodzakelijke krimp via de voordeur en op een nette manier kunnen regelen,’ zegt Huirne. Hij gaat er nu vanuit dat er op 4 maart een akkoord ligt, anders wordt de situatie ‘onacceptabel’.
Het afgelopen jaar was echt een tropenjaar voor Huirne, die daarvoor zijn hoogleraarstoel Agrarische bedrijfseconomie combineerde met een deeltijd aanstelling als directeur Wetenschap bij de Social Sciences Group. ‘Een deel van de problemen was me bekend. Zo lag er al een plan voor het praktijkonderzoek, waaruit bleek dat het nodig was om te krimpen in het aantal praktijkcentra en mensen.’ Pas vorig jaar zomer kreeg ook het instituutsdeel te kampen kreeg met verliezen. ‘Dat heeft niets te maken met de kwaliteit van het onderzoek.Als ik mij ergens geen zorgen over hoef te maken, dan is het wel daarover. Maar de wereld om ons heen is veranderd. De Nederlandse veehouderij verkeert in een crisissituatie en in de hele sector daaromheen is het ook al geen vetpot’, constateert Huirne.
Vrijwel alle divisies van de Animal Sciences Group liepen in de rode cijfers. ‘Eerst hoop je nog even: ‘het is een dip, het trekt wel weer aan’, maar uiteindelijk zijn alleen de divisies Visserijonderzoek en Infectieziekten bijgetrokken. De echte problemen concentreren zich rond de primaire veehouderij’, aldus Huirne. De situatie was zo ernstig dat de directie besloot tot een besteding- en vacaturestop. Het was ook aanleiding om de interne organisatie en de marktverwachtingen eens goed tegen het licht te houden. Huirne: ‘Uit recente visitaties blijkt dat we te versnipperd opereren. We proberen te veel ballen tegelijk in de lucht te houden. Ook komen de verbindingen met het departement Dierwetenschappen onvoldoende uit de verf’.

‘Ons onderzoek is goed, maar de wereld om ons heen is veranderd’
Klavertje vier
Sinds 1 januari is de organisatie van de Animal Sciences Group daarom op een geheel nieuwe leest geschoeid. ‘We hebben gekozen voor een eenvoudige structuur en hebben ons laten inspireren door het klavertje vier. Als een organisatie meer dan vier onderdelen heeft, valt het thuis al niet meer uit te leggen’. Het departement Dierwetenschappen vormt een van de klaverblaadjes en het contractonderzoekdeel is nu opgedeeld in drie divisies: Visserijonderzoek, Infectieziekten en Veehouderij. Huirne: ‘Visserij is gewoon een wereld in zichzelf, en de divisie heeft traditioneel al een goede binding met haar opdrachtgevers. Er moesten alleen nog een paar puntjes op de i worden gezet.’ Ook voor Infectieziekten was de situatie relatief simpel. Na de afsplitsing van de overheidstaken naar het CIDC-Lelystad wordt de onderzoeksmarkt voor deze divisie voor een groot deel bepaald door het farmaceutische bedrijfsleven. ‘Het is een grillige, maar overzichtelijke markt met een paar grote spelers, waarmee we goede relaties onderhouden’, aldus Huirne.
De nieuwe divisie Veehouderij, waarin sinds 1 januari de voormalige divisies Praktijkonderzoek, Diervoeding en Dier & Omgeving zijn opgegaan, kampt met de meeste tegenwind. ‘Vanuit de filosofie dat iedereen zijn eigen broek moet ophouden, hebben we voor de komende vier jaar omzetverwachtingen gemaakt.’ Uit deze analyses blijkt volgens Huirne heel duidelijk dat in het onderzoek rond de primaire landbouw de meeste krimp noodzakelijk is omdat daar de meeste marktvraag wegvalt.

Routineproef
‘Neem diervoeding, waar we een krimp van meer dan vijftig procent voorzien. Op dat gebied trekt het ministerie zich duidelijk terug, terwijl productschappen te maken hebben met boeren en industrie die roepen ‘geef ons liever een korting op de heffing in plaats van onderzoek’. Gezien de slechte economische situatie is er in die markt veel onvrede omdat ze het gevoel hebben dat ze te weinig terugzien van het geld dat in onderzoek wordt gestopt.’
De onderzoekstarieven van Wageningen UR zijn volgens Huirne ook dermate hoog dat het weinig zin heeft om routinemarkten te blijven bedienen. ‘Bij hoogwaardig onderzoek hoor je bijna nooit gezeur over tarieven. Voor een routineproef of een eenvoudige enquête onder vijftig veehouders zijn we gewoon te duur, dan verliezen we het van de consultant op de hoek’. Het onderzoekslandschap is zelfs zodanig aan het veranderen dat de Animal Sciences Group overweegt routine-onderzoek uit te besteden aan andere landen. ‘Een standaard voedingsproef kan veel goedkoper worden uitgevoerd in Centraal-Europa. Wij moeten het toch echt hebben van onze toegevoegde wetenschappelijke kwaliteit. Verlies draaien op een routineklus puur om uren te kunnen schrijven, dat moet je als hoogwaardige kennisinstelling gewoon niet willen.’
Om de zaak nu weer gezond te krijgen, is krimp in personeel en faciliteiten onvermijdbaar, meent Huirne. Ook zijn verbeteringen in het projectmanagement nodig om budgetoverschrijding te voorkomen en vooral meer te investeren in klanttevredenheid: ‘op tijd opleveren en kwaliteit’. Om dit proces te verbeteren zijn alle divisies nu duidelijk opgedeeld in een frontoffice (de ‘regisseurs’) en een backoffice (de onderzoekers). ‘In de oude situatie moest iedereen alles doen. Onderzoekers waren soms veel tijd kwijt waren met acquisitie. Nu hebben we de marketingmanagers verantwoordelijk gemaakt voor de omzet, waardoor het beter mogelijk wordt mensen af te rekenen op hun prestaties’.

Boegbeelden
De hoogleraren van de universiteit krijgen een rol als boegbeelden, waarbij ze verantwoordelijk zijn voor de wetenschappelijke ontwikkeling en de marketing van het onderzoek ondersteunen. Zo wordt volgens Huirne de synergie tussen Wageningen en Lelystad versterkt. Hij verwacht dat de signalen uit de praktijk nu vaker zullen worden opgepikt in aio-projecten, terwijl omgekeerd goede ideeën uit promotieonderzoek niet langer blijven liggen. ‘De bouwstenen zijn goed en het enthousiasme is aanwezig. We zoeken nog naar de hoeveelheid cement die we nodig hebben om de organisatie optimaal te laten presteren.‘

Gert van Maanen

Re:ageer