Organisatie - 18 oktober 2007

De blijde boodschap van cradle to cradle

Goed nieuws voor iedereen die van een leuk leven houdt, en ook van de planeet: milieubewustzijn hoeft niet samen te gaan met soberheid. De milieufanaat van de toekomst kan zich verplaatsen in een dikke SUV en consumeren zoveel hij wil. Dat zeggen William McDonough en Michael Braungart in hun boek Cradle to cradle, dat in Wageningen steeds meer fans krijgt.

milieuvriendelijke SUV van Ford
Volgens de Amerikaanse architect McDonough en de Duitse chemicus en voormalig Greenpeace-activist Braungart zijn de producten die wij nu gebruiken verkeerd ontworpen. Met een slimmer ontwerp kunnen ecologie en economie prima samen gaan.
‘Afval is voedsel’, heet één van de hoofdstukken in het boek, waarin uitgelegd wordt dat er twee kringlopen zijn waar de ontwerper rekening mee moet houden: de ecologische en de technologische. Producten moeten zo ontworpen zijn dat ze na hun leven opgenomen kunnen worden in de ecologische kringloop, of dat ze via de technologische kringloop volledig hergebruikt kunnen worden in hoogwaardige producten. Plastic moet bijvoorbeeld niet als lullig bermpaaltje een tweede leven krijgen, maar als designstoel.
Hergebruik is nu vaak moeilijk, omdat veel producten ‘monsterlijke hybriden’ zijn van biologie en techniek. Een schoen van een eeuw geleden was bijvoorbeeld nog echt biologisch, en composteerde zonder moeite. Nu we het leer niet meer looien met stoffen uit planten maar met chroom, is dat anders. Een schoen op een vuilnisbelt is een gifbommetje, terwijl het vroeger een bron van waardevolle meststoffen was.
We zijn volgens Braungart en McDonough nu te snel tevreden. Milieubewust is synoniem aan ‘minder slecht’. Maar een cradle to cradle-ontwerper maakt zijn product zo dat het ‘goed’ is voor de omgeving. En dat hoeft geen geld te kosten. Op de lange termijn zijn bedrijven juist goedkoper uit. Autofabrikant Ford geloofde deze boodschap van het duo, liet een grote fabriek neerzetten voor twee miljard dollar en ontwierp een prototype voor een C2C-terreinwagen.

Zelfvoorziening in energie
De blijmoedige boodschap van cradle to cradle duikt ook steeds vaker op in Wageningen. De grootste pleitbezorger is Louise Vet, bijzonder hoogleraar Evolutionaire ecologie bij de leerstoelgroep Entomologie, en directeur van het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW). ‘Denk aan Afrika. Daar hangen op veel plekken de bomen vol plastic zakjes omdat mensen daar gewend zijn ze zomaar weg te gooien. Je kunt natuurlijk proberen om een vuilophaalsysteem te ontwerpen om dat probleem aan te pakken. Maar de cradle to cradle-manier is om de zakjes biologisch afbreekbaar te maken.’ Unilever heeft als experiment al een zakje ontworpen dat niet alleen afbreekbaar is, maar ook nog eens meststoffen en zaden van bedreigde plantensoorten bevat. ‘In plaats van de schade te beperken, ontwerp je een product dat juist goed is voor de planeet.’
Vet stuurde de raad van bestuur van Wageningen UR e-mails om aandacht te vragen voor het concept. ‘Cradle tot cradle is een filosofie waar iedereen meteen warm voor loopt. En een vlaggetje waar steeds vaker mee gezwaaid wordt. Ik denk dat er enorme kansen liggen voor Wageningen. Centraal in het concept van Braungart en McDonough staat de ecologische kringloop en zelfvoorziening in energie. Dat is de kern van veel van het Wageningse onderzoek. Denk bijvoorbeeld aan het onderzoek van Herbert van Amerongen die nieuwe zonnecellen wil maken op basis van de fotosynthese.’
De ecologe zou graag zien dat er een leerstoel komt die zich bezighoudt met het cradle to cradle-concept. Ze denkt dat Wageningen in de toekomst veel nieuwe studenten zou kunnen trekken door hieraan in het onderwijs aandacht te besteden. ‘Het is een heel positieve filosofie die veel jongeren aanspreekt’, zegt Vet.

Inkoopbeleid
‘Maar denk ook aan de bouw van nieuwe gebouwen, of de inkoop van spullen. De universiteit zou een mooie voorbeeldrol kunnen spelen door zo veel mogelijk volgens de cradle to cradle-principes in te kopen. Door bij de inkoop van nieuwe computers niet alleen naar de prijs te kijken, maar ook naar de milieuprestaties. Ik heb trouwens begrepen dat dit bij Wageningen UR ook steeds vaker gebeurt. Misschien moesten we ons daarvoor dan wat meer op de borst slaan. Bij de bouw van Forum en Atlas zijn al wat duurzamere technieken toegepast, zoals warmteopslag. Maar daar is gek genoeg heel weinig ruchtbaarheid aan gegeven.’
Vet kreeg wisselende reacties op haar pleidooi. Een aantal bestuurders, onder wie rector Martin Kropff en de directeuren van de kenniseenheden Groene ruimte en Plant reageerden enthousiast. Maar anderen zijn terughoudender. Bestuurders zijn volgens Vet vaak bang dat het veel geld zal kosten. ‘Ik denk dat Aalt Dijkhuizen daar ook huiverig voor is.’
En Tijs Breukink reageerde volgens Vet nog weinig enthousiast toen ze kwam praten over het idee om een lokale energievoorziening op poten te gaan zetten voor de Wageningse campus. Het NIOO gaat daar binnenkort een nieuw gebouw neerzetten, en Vet wil dat zo veel mogelijk volgens de richtlijnen van cradle to cradle laten bouwen, dus met een lokale energiebron. ‘Als je het goed doet hoef je niet bang te zijn voor de kosten,’ zegt Vet. Eén van de grondgedachten van ontwerpen volgens cradle to cradle is juist dat het geen geld kost, maar oplevert. ‘Het gaat om een goed huwelijk tussen economie en ecologie.’
Derk-Jan Haverkamp is waarschijnlijk de eerste Wageningse onderzoeker die het begrip ook noemt in zijn wetenschappelijke publicaties. De bedrijfskundige promoveert binnenkort op een onderzoek naar milieumanagement in de voedingsmiddelenindustrie. Hij vroeg bedrijven onder andere of zij rekening houden met het milieu als zij hun producten herontwerpen. ‘Dat noemden wij ketengerichte milieuzorg, maar je kunt het ook cradle to cradle noemen.’ Haverkamp merkt dat bedrijven wel wat zien in de filosofie. ‘Zeker als ze horen dat Ford een groot fabriekscomplex heeft gebouwd volgens dat principe.’
Maar zo gemakkelijk als Braungart en McDonough het voorstellen is het niet om concrete producten te ontwerpen, verwacht Haverkamp. ‘Het is volgens mij makkelijker om een gebouw te ontwerpen volgens het idee, dan een product. Een gebouw zet je neer, en dan is het klaar. Bij cradle to cradle-producten moet je ook zorgen dat je ze inzamelt om ze opnieuw te gebruiken. Dat vergt veel meer. Cradle to cradle zit nu nog op het brainstormniveau. De voornaamste kracht van het idee is volgens mij dat het de horizon verbreedt. In plaats van te denken aan kleine verbeteringen, kun je ook eens radicaal anders beginnen en zien waar je dan uitkomt.’

Motiverend
Voorzichtig enthousiast zijn ook de studenten van het Wageningen Environmental Platform, een milieugroep die onlangs een discussieavond belegde over cradle to cradle. Petra Rietberg van het WEP: ‘Ik weet niet of dit nu alle problemen in één keer kan oplossen, maar wij zijn er wel enthousiast over. Het is een heel positieve, andere manier om naar milieuproblemen te kijken.’
Juliane Haufe, een Duitse masterstudent milieukunde en lid van het platform, houdt ook een slag om de arm. ‘Wij willen er graag meer over weten. Bij lezing van het boek bekruipt me het gevoel dat de schrijvers niet al hun ideeën wetenschappelijk goed hebben onderbouwd. Ze besteden veel aandacht aan hergebruik, maar niet aan het energievraagstuk. Maar het lijkt me wel motiverend om te zien wat we als studenten en universiteit zouden kunnen met het idee.’
Louise Vet kent de kritische vragen en de twijfels over het concept, maar laat zich daar niet door uit het veld slaan. ‘Ik zeg niet dat het morgen allemaal kan, maar we kunnen ons wel doelen stellen. Bijvoorbeeld om in 2030 alle papier de wereld uit te hebben. Ik denk dat er veel meer kan dan mensen denken. Ik was pas op een symposium met scheikundestudenten. Daar heb ik de studenten voorgehouden dat ze een keuze hebben: onze rommel opruimen, of helemaal opnieuw beginnen en totaal nieuwe en volledig duurzame producten en processen gaan ontwerpen. Dat laatste is toch veel motiverender voor een jonge chemicus.’

Re:ageer