Organisatie - 12 april 2007

De aftakeling van het Koloniale Landbouwmuseum

Om de Wageningse Koloniale Landbouwschool naar Deventer te lokken, richtte de stad in 1910 het Koloniale Landbouwmuseum op. Het museum werd populair bij studenten en het grote publiek, maar kwijnde door financiële problemen langzaam weg.

150_opinie_0.jpg
Begin twintigste eeuw kon de Rijkslandbouwschool in Wageningen niet in de behoefte voorzien van studenten die op een carrière bij een landbouwbedrijf in Nederlands-Indië hoopten. Daarom werd de school gesplitst in een school gericht op Nederlandse landbouw, en een school voor koloniale landbouw. Als vestigingsplaatsen voor de koloniale tak waren Haarlem en Deventer in de race. De gemeente Deventer zag de school graag komen en stelde grond en geld ter beschikking. Haarlem had echter een belangrijk pluspunt: een koloniaal museum.
Om de school toch naar Deventer te lokken, stelde de afdeling Deventer van de Maatschappij van Nijverheid voor om een materiaal over de koloniale landbouw te verzamelen. Dat kon dan worden tentoongesteld, en beschikbaar worden gesteld aan de school.
Mede dankzij dit initiatief viel de keus van de politiek op Deventer. Op 16 september 1912 opende daar de Middelbare Koloniale Landbouwschool zijn deuren en in 1915 volgde het museum. Studenten van de landbouwschool waren vaste bezoekers. Ook gebruikten docenten regelmatig voorwerpen uit het museum om hun lessen mee te illustreren. Het museum ging bovendien aanvullende cursussen verzorgen, waaronder de suikercursus en de rubbercursus.
Tijdens de economische crisis in de jaren dertig, die in Nederlands-Indië grote gevolgen had, kwam het succesvolle museum echter in financiële problemen. Geldschieters vielen af, het ministerie van Koloniën zette de subsidie stop en de stichting die de cursussen gaf kon de huur niet meer betalen. Achterstallig onderhoud was het gevolg.
De oorlog die volgde deed het gebouw en de collectie ook geen goed. De schade viel aanvankelijk nog mee, maar in de weken na de bevrijding brachten enkele dronken Canadese soldaten een bezoekje aan het museum en wierpen en pasant wat tafels met bijzondere voorwerpen omver.
In de vijftig- en zestiger groeide het bezoekersaantal, maar financieel en organisatorisch ging het allemaal nog slechter. Het museum - door het verlies van de koloniën maar omgedoopt tot Tropisch Landbouwmuseum - raakte zo erg in verval dat elektriciteit en verwarming het op een gegeven moment begaven. Als de conciërge, naast de directeur de enige medewerker, ziek was, moest het museum dicht. In 1963 betekende dit dat de deuren een half jaar gesloten bleven.
Het museum kwijnde zo langzaam weg. In 1965 stopten alle overheidssubsidies. De gemeente Deventer schoot nog te hulp om de slarissen te betalen. In 1967 nam de directeur echter ontslag en ging de conciërge, tachtig jaar inmiddels, eindelijk met pensioen. Dit betekent het definitieve einde van het Koloniale Landbouwmuseum.
De gemeente Deventer schonk de collectie in 1972 aan het Volkenkundig Museum ‘Gerardus van der Leeuw’ in Groningen. Na opheffing van dit museum in 2003 vond de collectie onderdak bij de Rijksuniversiteit Groningen.
Studenten Tropische landbouw zitten tegenwoordig weer in Wageningen op de hogeschool.

Re:ageer