Organisatie - 14 juni 2007

De afkoelende werking van fijnstof

De aarde warmt op door onder andere de emissie van CO 2 door menselijk handelen. Mogelijk warmt de aarde nog sterker op dan we nu al aannemen door ongewilde effecten van ander milieubeleid op het klimaat. Als dat zo is, is op korte termijn een beleidsafstemming gewenst tussen het klimaatbeleid en ander milieubeleid. Graag nodig ik Wageningse klimaatdeskundigen uit om te reageren op de volgende hypothese.
De CO 2 -concentratie in de atmosfeer is ruim 100 ppm (380 ppm) hoger dan miljoenen jaren terug. Op grond van historische gegevens mag je verwachten dat bij een verhoging van de CO 2 -concentratie met 100 ppm de gemiddelde temperatuur op aarde flink stijgt. De Wikipedia geeft een toegankelijk overzicht van historische klimaatgegevens op basis van analyses van de Vostok ice-cores en van het sedimentenonderzoek. Daaruit blijkt dat een schommeling van de CO 2 -concentratie van ruim 100 ppm in het verleden overeen kwam met een temperatuurverandering van ruim 10 graden.
Dat de opwarming, die wij op dit moment kunnen waarnemen, minder dan een graad is komt mogelijk door de afkoelende werking van de huidige concentraties van aërosolen en fijnstof in de atmosfeer. Aërosolen en fijnstof worden in belangrijke mate veroorzaakt door verbranding van fossiele brandstof en industriële processen (NOx en zwavel) in combinatie met bijvoorbeeld ammoniak uit de landbouw. Sinds 1950 is de hoeveelheid aërosolen en fijnstof in de atmosfeer flink toegenomen. Daardoor is de hoeveelheid zonne-energie die door de dampkring dringt, met ruim 10 procent afgenomen, wat resulteerde in afkoeling. De IPCC neemt aan dat de koelende werking van aërosolen en fijnstof de opwarming door broeikasgassen ongeveer compenseert.
Onafhankelijk van de aandacht voor CO 2 -vermindering, wordt steeds serieuzer gestreefd naar vermindering van ammoniak-, NOx- en zwaveluitstoot. Er wordt hard gewerkt aan verbetering van motoren, schonere brandstof, roetfilters, enzovoort. Niet om klimaat- maar om volksgezondheidsreden.
Het beleid voor vermindering van aërosolen, fijnstof en ammoniak is echter niet afgestemd op het beleid voor de vermindering van broeikasgassen. Het zijn verschillende disciplines.
Aërosolen en fijnstof hebben een korte levensduur in de atmosfeer: maximaal een maand. Broeikasgassen hebben een levensduur van meer dan honderd jaar. Een mogelijk ongewenst neveneffect van de vermindering van aërosolen, fijnstof en ammoniak in de atmosfeer op het klimaat is dus direct merkbaar: de hoeveelheid zonlicht op aarde zal toenemen en de afkoelende werking valt weg. Volgens Martin Wild in zijn artikel From Dimming to Brightening in Science van mei 2005 is de toename van zonne-input op de aarde al waarneembaar, terwijl we met het klimaatbeleid proberen een stabilisatie te bereiken of zelf, een afname van de temperatuur.
Het lijkt dus noodzakelijk tot een beleidsafstemming te komen tussen vermindering van de uitstoot van broeikasgassen om klimaatredenen enerzijds en die van fijnstof, aërosolen, ammoniak en NOx om gezondheidsreden anderzijds.

Re:ageer