Wetenschap - 1 januari 1970

De Nederlandse tuin- en landschapsarchitectuur als historisch vlechtwerk

De Nederlandse tuin- en landschapsarchitectuur als historisch vlechtwerk


Het prettige aan de geschiedenis die Gerritjan Deunk vertelt in zijn boek
'Nederlandse tuin- en landschapsarchitectuur van de 20ste eeuw' is dat het
verhaal zo weinig belerend is. Geen academisch betoog over stroming zus die
het met stroming zo doet, geen kant-en-klare verklaringen van de
verschillen in artistieke, architectonische en methodische opvattingen, en
geen met academische hokjesgeest getrokken grenzen langs vakdisciplines,
methoden en gedachtegangen. Deunks geschiedenis van de tuin- en
landschapsarchitectuur is meer een vlechtwerk van relatief kleine
gebeurtenissen, processen en ideeën, van de details uit het verleden.
Daarom begint Deunk zijn geschiedenis waarschijnlijk ook met Kröller-
Müller, het park op de Hoge Veluwe dat de meeste Nederlanders beschouwen
als natuur. Volgens hem is de historie van dat park illustratief voor wat
er in de twintigste eeuw gebeurde met tuin en landschap, namelijk dat
tuinen en landschappen aangepast worden aan de eisen van de tijd. Het park
was oorspronkelijk het jachtterrein van meneer, het museum de
vrijetijdsbesteding van mevrouw, maar nu is Kröller-Müller een uitgegroeid
natuurpark met witte fietsen uit de jaren zestig, kunst uit het begin van
de twintigste eeuw, een Museonder uit de jaren tachtig - eigenlijk een
soort Gesamtkunstwerk waar de grote massa natuur en kunst krijgt in
hapklare brokken naar ieders eetlust.
De geschiedenis van Kröller-Müller lijkt inderdaad exemplarisch voor wat de
Nederlandse tuin- en landschapsarchitecten hebben mogen meemaken in de
twintigste eeuw. De tuinen en landschappen die ze ontwierpen kregen
namelijk een steeds bredere en gevarieerdere doelgroep. Voor de Tweede
Wereldoorlog ontwierpen architecten tuinen voor de rijkere particulieren en
parken voor het volk, maar na de oorlog werd steeds minder duidelijk wat de
doelgroep was, zoals ook Kröller-Müller uitgroeide van jachtterrein en
kunstliefhebberij tot amusementspark voor dagtoeristen, kunsttoeristen,
natuurtoeristen, frisse-luchttoeristen, enzovoorts.
Wat nu het mooie is aan de manier waarop Deunk de geschiedenis van de tuin-
en landschapsarchitectuur presenteert, is dat duidelijk wordt dat de
bovenstaande ontwikkeling niet per se een vooruitgang is, maar ook zijn
keerzijden heeft. Dat is ook terug te vinden in de ontwerpen. Het
vooruitgangsdenken uit zich in de jaren vijftig nog in de amusementsparken
en ruilverkavelingen, maar in de jaren zestig introduceert Louis le Roy de
ecologisch vormgegeven natuur als onthaaster, wordt de nieuw aangelegde
Flevopolder een gedifferentieerd landschap met bossen en reservaten naast
de landbouw en de steden, breekt Mien Ruys een lans voor de groenbehoeften
van de stadsbewoner, en inventariseert J. T.P. Bijhouwer de Nederlandse
natuur in Europees perspectief als gebruiksgroen.
De aanpak van Deunk heeft zijn payoff vooral in zijn beschrijving van de
laatste decennia van de twintigste eeuw. Daar is het steeds moeilijker
stromingen te onderscheiden, alleen al omdat de grenzen van de tuin- en
landschapsarchitectuur vervagen. Want wat is tegenwoordig nog het verschil
tussen architectuur, kunst of landschapsarchitectuur? Als je kijkt naar het
gebouw dat MVRDV in 2000 voor de wereldtentoonstelling van Hannover
ontwierp - de bijna onmogelijk lijkende stapeling van gebouw, tuin,
landschap is eigenlijk kunst - wordt dat duidelijk. Het lijkt allemaal te
culmineren in de tuin- en landschapsarchitect als de creator van een
ruimtekunstwerk, waarbij de planten ondergeschikt zijn aan het ontwerp. Het
is een wat verwarrend verhaal, verteld in nog geen tweehonderd bladzijden,
maar door de aanpak die Deunk hanteert wordt het een hecht vlechtwerk van
de kleine gebeurtenissen die de hedendaagse praktijk zo wonderlijk en
onoverzichtelijk maakt.

Gerritjan Deunk, Nederlandse tuin- en landschapsarchitectuur van de 20ste
eeuw, NAi Uitgevers, ISBN 9056622420, 31,50 euro.

Re:ageer