Organisatie - 13 februari 2013

DLO maakt voor eerst aantal proefdieren bekend

DLO-instituten gebruiken 46.000 proefdieren. Nieuwe uitbraken als vogelgriep en Q-koorts leidden tot extra onderzoek met muizen. Ook sterke stijging bij vissen, door opkomst van kweekvis-industrie.

muizenexperiment.jpg
Muizen, vissen en kippen, dat zijn de belangrijkste diersoorten die door DLO-instituten gebruikt worden voor wetenschappelijk onderzoek. Met de begin februari verschenen notitie Proefdiergebruik bij Wageningen UR geeft DLO voor het eerst openheid over de aantallen die worden gebruikt. Dat zijn er 46.000 per jaar, ruim tweemaal zoveel als de universiteit. Navraag leert ons ook met welke trends en ontwikkelingen het proefdieronderzoek van DLO te maken heeft.
Opmerkelijk is vooral de grote toename van het aantal vissen in experimenten. Dat aantal steeg in twee jaar van ruim 4.400 tot 17.000. Daarmee is de vis nu het meest gebruikte proefdier van DLO. Dat komt door de opmars van kweekvis. Aquacultuur is een nieuwe, snelgroeiende tak van de bio-industrie. Dat leidt tot contractonderzoek naar optimale huisvesting en productie. Dit onderzoek vindt plaats in IJmuiden en tegenwoordig vooral in Yerseke.
Mexicaanse griep
Daarnaast gebruikte DLO in 2011 uitzonderlijk veel muizen: bijna 16.000, tegen gemiddeld 9.000 in de jaren daarvoor. Die stijging zit hem volgens Paul Kroon, de proefdierdeskundige van DLO, in het influenza-onderzoek. De uitbraak van vogelgriep en de Mexicaanse griep hebben geleid tot diagnoses van verschillende stammen en het zoeken naar een universeel vaccin. Daarbij worden muizen gebruikt: de wet schrijft voor dat nieuwe middelen eerst op knaagdieren getest worden.
Van oudsher worden bij dierziekte-instituut CVI in Lelystad ook veel muizen gebruikt om bij watervogels de diagnose botulisme te stellen. Dat aantal is de afgelopen twintig jaar wel fors gedaald: van 15.000 in de jaren negentig naar 8.000 per jaar nu. Voorheen werd elke dode watervogel getest op botulisme, nu is dat niet meer nodig.
De hoeveelheid kippen is ook flink afgenomen, van 17.000 in 2009 naar 8.000 in 2011. Livestock Research, het DLO-instituut voor veeteelt, heeft veel pluimveeonderzoek afgestoten aan Schothorst, een kennisinstituut voor diervoeding in Lelystad.
 
65 duizend, is dat veel?
DLO en universiteit samen gebruikten in 2011 65.000 proefdieren, dat is 11 procent van het landelijk aantal. Wat vindt directeur Marja Zuidgeest, directeur van de stichting Proefdiervrij, van dit getal? 'Ik vind het moeilijk om dit af te zetten tegen andere instellingen, maar 65 duizend vind ik wel heel veel. Het Erasmus medisch centrum gebruikt 48.000 dieren. Bij andere grootverbruikers denk ik aan TNO en het RIVM, hoewel we daar de getallen niet van kennen.'
Door de jaren heen kruipt het aantal proefdieren bij DLO langzaam omhoog, vertelt Paul Kroon. Als proefdierdeskundige voor DLO adviseert hij bij de beoordeling van aanvragen voor dierexperimenten. 'Het is daar een steeds terugkerende vraag. Kan het af met minder dieren?'
Soms lukt dat, en er komen ook meer alternatieve methodes. Toch daalt het aantal dierexperimenten niet. Kroon: 'We hebben te maken met uitbraken van nieuwe ziektes, waar we nog nooit van gehoord hadden, zoals Q-koorts en Smallenberg. Andere ziektes rukken op, het Westnijlvirus zat in Noord-Afrika maar is al aangetroffen in Italiƫ en Spanje. De maatschappij wil dat we er onderzoek naar doen.'
Dat levert volgens Kroon een spagaat op. 'Enerzijds eist de consument dat hij honderd procent veiligheid wil, anderzijds zegt ie dat we niet zoveel dieren moeten gebruiken. Dat is een enorm dilemma.'
Zuidgeest ziet die tegenstelling niet. 'De maatschappij wil veilige producten, maar zonder proefdieren. Dat kan, want er zijn meer wegen die naar Rome leiden. Vijftig jaar geleden hadden we 500 rhesusapen nodig voor de productie van poliovaccins, nu doen we dat zonder apen. De cosmetische industrie heeft, weliswaar gedwongen, enorme stappen gezet met testen zonder proefdieren.'
 
 
 

Re:ageer