Wetenschap - 1 januari 1970

Cultuurhistorie voor ongeoefend oog moeilijk zichtbaar

Cultuurhistorie ligt in Nederland vaak onder de grond. Om dat onzichtbare verleden toch in het landschap zichtbaar te maken, zoeken archeologen en cultuurhistorici toenadering tot ruimtelijke planners. Uit een recente conferentie bleek dat die toenadering nog in de kinderschoenen staat, en dat er veel valt te leren van de manier waarop ecologen de afgelopen decennia bij ruimtelijke planning zijn betrokken.

Het moet voor de inwoners van gemeente Overbetuwe een vreemd gezicht zijn. Twee autobussen vol internationale wetenschappers rijden op vrijdag 10 juni kriskras door hun dorpjes en landerijen op zoek naar het verleden dat onder het landschap verborgen ligt. De gidsen John Mulder en dr Roel During van Alterra, wijzen de planologen, archeologen, landschapsarchitecten, historisch geografen en historici op de afwisseling in het Betuwse landschap.
De wetenschappers zijn op zoek naar de verhouding tussen cultuurhistorie en planning. Ze hebben op de woensdag en donderdag voor de excursie geconfereerd in het WICC in Wageningen over de vraag hoe cultuurhistorie in planningsopgaven kan worden meegenomen. Nederland heeft namelijk internationaal afspraken gemaakt om archeologisch en cultuurhistorisch waardevolle elementen te behouden en te beheren, en die zijn in de nieuwe Monumentenwet vastgelegd. Vooruitlopend op die nieuwe regelgeving is onder andere bij de aanleg van de Betuwelijn - waarvan de betonnen geluidswallen een grijs lint door de Betuwe trekken - al veel archeologisch onderzoek gedaan, waarbij onder meer een prehistorische kano is opgegraven.

Waterbergingsgebied
Als zodanig is de Betuwe is een mooi studieobject voor de opgave die prof. Jürgen Broeste van de Universität Salzburg woensdag tijdens de conferentie mooi verwoordde: ,,Kijken met de kennis van het verleden naar het landschap van de toekomst.’’ Daaruit kan synergie ontstaan, zoals bij de prehistorische Rijnbeddingen die volgens Mulder heel goed gebruikt kunnen worden als waterbergingsgebied. Maar er zijn ook bedreigingen, zoals de grijze, betonnen streep van de Betuwelijn, waarvan During verwacht dat die alleen maar meer bedrijventerreinen en andere bouwopgaves zal opleveren.
In de Betuwe is ook direct duidelijk waarom de door de wetenschappers gewenste vereniging van planning en cultuurhistorie problemen op kan leveren. De cultuurhistorie zit namelijk voor ongeoefende kijkers goed verborgen. De oude rivieroevers van de Rijn – vaak te volgen via het asfalt van de kronkelige dorpswegen met eiken, kastanjes en essen ernaast - en de weidse overblijfselen van het oude rivierbassin - groene weiden met wilgen en essen op de perceelscheidingen - vallen nauwelijks op in het landschap. En de belangrijkste archeologische vondst in het gebied - fundamenten van Romeinse tempels in Elst - zit deels verborgen onder de vloer van de kerk.

Maaswerken
Om te kunnen kijken met de kennis van het verleden naar het landschap van de toekomst is dus allereerst specialistische kennis nodig om de vaak onzichtbare cultuurhistorie zichtbaar te maken. Planners en landschapsarchitecten hebben dus archeologen en historisch geografen nodig, maar het omgekeerde geldt eveneens. ,,We moeten toe naar een integraal beheer van historische elementen, dat opgenomen is in de bredere wereld van duurzame ruimtelijke en landschappelijke planning'', stelde Adrian Olivier van het Engish Heritage tijdens de conferentie. ,,Anders blijft de historische omgeving marginaal.''
Een voorbeeld waar Olivier erg enthousiast over was waren de Maaswerken, die tijdens de conferentie door de archeologen Gilbert Soeters en Pieter van der Gauw van Rijkswaterstaat werden gepresenteerd. De beddingen van de Maas worden verbreed voor waterberging, en daarbij zal een grote oppervlakte van het rivierenlandschap van de Maas door grindwinning en natuurontwikkeling op de schop gaan. Onder leiding van Soeters is onderzocht wat nu de meest cultuurhistorisch en archeologisch waardevolle plekken zijn in het gebied, zodat er bij het graafwerk rekening mee gehouden kan worden.
Olivier was vooral te spreken over het raamwerk van onderzoekers dat aan de Maaswerken meedoet. Geologen, historisch geografen, archeologen en geofysica werken samen om bijvoorbeeld resten van een middeleeuwse watermolen, het verdronken kasteel van Elsloo uit 1459 en Romeinse graven op een goede manier te behouden of anderszins te ontwikkelen. De wetenschappers doen daarvoor op verschillende manieren onderzoek, maar het team betrekt ook de schooljeugd bij het project via allerlei educatieve projecten.
Medeorganisator van de conferentie prof Arnold van der Valk van de leerstoelgroep Ruimtelijke Planvorming was minder enthousiast dan Olivier. Van der Valk is al jaren pleitbezorger voor een transdisciplinaire aanpak van ruimtelijke planvorming, wat feitelijk betekent dat er naast een interdisciplinaire samenwerking van wetenschappers ook aandacht is voor de ervaringskennis van boeren, bewoners en andere betrokkenen. Daarvoor was bij de Maaswerken niet veel aandacht.

Politieagent
Want wetenschappers zijn natuurlijk niet de enigen die kunnen bepalen wat cultuurhistorisch waardevol is. Ir Martijn Duineveld van de leerstoelgroep Ruimtelijke Planvorming liet in zijn bijdrage aan de conferentie zien dat ook leken een belangrijke rol spelen bij het zichtbaar maken van cultuurhistorie, zelfs tegen de wetenschappelijke mores in. Zo zijn het vooral amateurhistorici die aandacht vragen voor de relatief recente overblijfselen van de koude oorlog - betonnen bunkers en kazematten die door de officiële historici nog nauwelijks van belang worden geacht.
Duineveld raakte daarmee een gevoelige snaar, namelijk de belangen van de archeologen en cultuurhistorici zelf. Zij lijken zich, dankzij het feit dat archeologische elementen bij de wet zijn beschermd, uit te roepen tot politieagent en rechter ineen, die als enige kan bepalen wat wel of niet waardevol is en hoe het behouden moet worden.
Als planners willen samenwerken met archeologen en cultuurhistorici ligt hier nog een taak voor hen, want de verschillen lijken groot. De bijdragen van archeologen en cultuurhistorici aan de conferentie gingen vaak over de waarde van hun wetenschap voor de planning, terwijl de planners meestal praatten over samenwerking, interdisciplinariteit en communicatie.

Knickerbocker
Daarmee krijgt de belangstelling van cultuurhistorici, archeologen, historisch geografen en andere historische wetenschappers voor een rol in de ruimtelijke planning een politiek tintje. Want wie bepaalt wat archeologie en cultuurhistorie is, hoe belangrijk dat is, en hoe dat in het landschap ingepast moet worden? Is dat de wetenschapper, de burger of de planner?
De discussie doet heel erg denken aan de manier waarop ecologen, biologen en andere natuurwetenschappers in de jaren tachtig langzaam maar zeker een belangrijke rol voor de natuur en de ecologie opeisten in de ruimtelijke planvorming. De Ecologische Hoofdstructuur is het planmatige resultaat van de belangrijke rol die natuur is gaan spelen in planvormingsprocessen. Maar in de natuurwereld zijn ook de ecologen anders gaan denken. Staatsbosbeheer heeft allang geen knickerbockerdragende boswachters meer in dienst met het geweer over de schouder, maar juist verhalen vertellende oud-onderwijzers. En in het natuurbeleid is er nadrukkelijk aandacht voor ‘mensenwensen’.
Ook praktisch gezien valt er van de ecologen te leren, bleek op de conferentie. Karl Cordemans van het Vlaamse Landmaatschappij presenteerde een nieuwe vorm van beheer van cultuurhistorie die heel veel doet denken aan de manier waarop agrarisch natuurbeheer in Nederland is georganiseerd, en waarbij grondeigenaren financiële compensatie krijgen voor het beheer van natuur.

Martin Woestenburg.

Re:ageer