Wetenschap - 7 februari 2008

Crisis rond ‘gezond’ voedsel

Als alvleesklierkankerpatiënten goedaardige bacteriën krijgen, stijgt hun sterftekans, blijkt uit een alarmerende studie van het Universitair Medisch Centrum Utrecht. Voer voor kritische consumentengroepen die met hun beschuldigende vinger wijzen naar de voedingsindustrie. In kranten zeggen opinieleiders openlijk hun vertrouwen op in voedingswetenschappers, met al hun beweringen over wat nou wel of niet gezond is. Eindigt de hype rond gezonde voeding en functional foods in een crisis?

Prof. Bart Gremmen, leerstoelgroep Plantenveredeling en onderzoekscentrum Meta:
‘We hebben de voorbije jaren steeds meer producten op de markt zien verschijnen die ergens in het grijze gebied tussen de medicijnen en de voedingsmiddelen hangen. Cholesterolverlagende margarines, bijvoorbeeld. In dat gebied zijn de belangen van de verschillende groepen nog niet op elkaar afgestemd, en dat wreekt zich.
De bedrijven willen producten op de markt brengen met verregaande claims. Ze denken dat ze daarmee geld kunnen verdienen, bijvoorbeeld aan mensen die nu elke dag pilletjes moeten slikken om hun cholesterol op peil te houden. De industrie gaat er dan gemakshalve aan voorbij dat andere consumenten juist helemaal niet nadenken over hun cholesterol. Die zien ineens voedingsmiddelen opduiken die iets in hun lichaam doen waar ze niet om hebben gevraagd.
Uit ons onderzoek weten we dat consumenten op zich niets tegen bijzondere voedingsmiddelen hebben, die zijn bedoeld voor ouderen, baby’s of sporters. Maar ze willen niet iets opgedrongen krijgen. Ze willen kunnen kiezen, en ze beginnen het idee te krijgen dat ze geen keuze meer hebben. Er verschijnen nu zoveel producten met claims en artikelen over gezondheidseffecten van allerlei alledaagse voedingsmiddelen, dat consumenten het overzicht verliezen. Bovendien is de informatie vaak tegenstrijdig. Via onze focusgroepen horen we dat consumenten niet meer weten wat ze nou wel of niet moeten geloven.
De farmacie heeft de belangentegenstelling tussen bedrijven en consumenten opgelost door patiënten en onderzoekers met elkaar in contact te brengen. Farma-onderzoekers praten geregeld met patiëntenverenigingen over hun onderzoek en de beweegredenen daarachter. Er is een dialoog.
Zo’n aanpak is misschien ook geschikt voor organisaties als TIFN of VLAG, die bezig zijn met voedingsonderzoek en zich bovendien heel goed bewust zijn van de spanning rond gezondheid en voeding. Debat met consumenten zal die spanning niet wegnemen, maar wel kanaliseren. Zo’n dialoog kan onderzoekers duidelijk maken op welke innovaties consumenten wél zitten te wachten.’

Re:ageer