Wetenschap - 1 januari 1970

Consument in verwarring

De ene keer lezen we in de krant dat koffie de kans op diabetes verhoogt. De andere keer is het precies andersom. De ene keer vertellen de wetenschapsbijlagen dat koffie de bloeddruk verhoogt, maar een paar maanden later lezen we dat dat reuze meevalt. Daar komt dan weer bij dat koffie de kans verhoogt om op hoge leeftijd de controle over de urineblaas te verliezen. Of was het nou andersom?

De media bedelven ons onder een overdaad aan dikwijls tegenstrijdige informatie over gezondheid en voeding. Tot overmaat van ramp gaan dezelfde media met diezelfde overdaad aan gegevens aan de haal; ze verwerken die in pakkende artikelen en programma’s die meer dan eens een onjuiste strekking hebben. Prof. Frans Kok, hoogleraar van de afdeling Humane voeding en voorzitter van de nieuwe Nederlandse Academie van Voedingswetenschappen, maakt zich zorgen.
‘Het publiek blijft in verwarring achter’, zegt Kok. ‘Soms hoor je dingen over vetten, suikers, alcohol en koffie die pertinent onjuist zijn. Gaan mensen die informatie toepassen, dan kunnen ze in medische problemen komen. Een ander risico is dat mensen afstompen. Ze horen zoveel tegenstrijdige informatie dat ze het vertrouwen in de voedingswetenschap verliezen. Ze krijgen zoveel ruis dat ze de echte boodschappen er niet meer uit kunnen filteren.’
Die situatie moet veranderen, vinden Kok en de Academie. Daarom belegde de organisatie op woensdag 17 november een Voedingsforum in een conferentieoord in het Brabantse Vught. Zo’n zestig onderzoekers, sleutelfiguren uit het bedrijfsleven, voorlichters en journalisten discussieerden er over de manier waarop de media berichten over voeding – en hoe die berichtgeving kan verbeteren.

Boetekleed
In de wandelgangen van het Voedingsforum, waar in Wageningen en Maastricht opgeleide wetenschappers domineren, zijn journalisten de gebeten hond. Hun stukjes deugen niet. Vaak niet, tenminste. Die gaan over een nieuwe ontdekking of vondst en laten de context weg. Door de nadruk op de ontdekking van bijvoorbeeld residuen bestrijdingsmiddelen op groenten en fruit, of PCB’s in zalm, krijgt de lezer een onevenwichtig beeld en het idee dat hij groenten, fruit of vis moet vermijden. De stukjes melden niet dat de risico’s van die ongewenste stoffen gering zijn, en dat wetenschappers vinden dat consumenten vooral vette vis en groenten en fruit blijven eten. Sterker: ze zouden er juist meer van moeten eten.
Toch weigert Simon Rozendaal, wetenschapsjournalist van het weekblad Elsevier het boetekleed aan te trekken. ‘Als ik zo in de zaal kijk, dan zie ik allemaal hoogleraren’, zegt hij, doelend op de aanwezigheid van kopstukken als Frans Kok, Wim Saris, Daan Kromhout en Evert Schouten. ‘De ene is nog geleerder dan de andere. Maar hoe geleerd u ook bent, u weet gewoon niet hoe het zit met voeding en gezondheid.’
Dat kan ook niet anders, vindt Rozendaal. Over voeding weten we nog weinig, en over gezondheid ook niet, en wie het verband tussen die twee onderzoekt weet helemaal niks. De ruis in de media is niet het gevolg van journalisten die broddelwerk afleveren, maar van een voedingswetenschap die nog in zijn kinderschoenen staat. ‘Het is de ene keer zus en de andere keer zo.’

'Wetenschappers interpreteren alles in het licht van hun eigen ontdekking en vergeten de rest'

Communiceren
Paulus Verschuren, directeur External Relations van Unilever, is het oneens met Rozendaal. ‘Natuurlijk weten we nog niet alles over voeding en gezondheid’, zegt hij. ‘Dat is maar goed ook. Anders had het geen zin om onderzoek te doen naar manieren om voedingsmiddelen nog gezonder te maken. Het is jammer dat wij daarbij zoveel last ondervinden van journalisten, die onjuiste stukjes schrijven met van die schreeuwende koppen daarboven.’
‘Als journalist ben je aangewezen op een wetenschapper als bron’, weerspreekt Rozendaal. ‘Een journalist zuigt zijn stukjes toch niet uit zijn duim? Alles wat in die stukjes staat komt uiteindelijk uit de mond van wetenschappers. Ik begrijp ook wel dat die wetenschappers het heerlijk vinden om met autoriteit te spreken. Maar misschien moeten ze eens gaan nadenken over hoe ze hun onderzoek het beste gaan communiceren.’
Het probleem met wetenschappers die in de media al te hard van stapel lopen is tweeledig, zegt Rozendaal. ‘Wetenschappers die contact met ons zoeken hebben wat gevonden en zijn daarover enthousiast. Ze interpreteren alles in het licht van hun eigen ontdekking en vergeten de rest. Dat is begrijpelijk, maar het zorgt voor vertekening.’
In de tweede plaats werkt het nu eenmaal om in de kolommen van een krant een grote mond op te zetten, heeft Rozendaal gemerkt. ‘Denk maar aan al die gekte rond de gekkekoeienziekte. De halve veestapel is afgemaakt, maar achteraf moeten we constateren dat er in Nederland niemand de ziekte van Creutzfeldt-Jakob heeft gekregen door het eten van vlees. Maar de onderzoekers die het hardst riepen van allemaal hebben nu een eigen lab.’

Ellende
Wetenschappers zouden minder snel de publiciteit moeten zoeken, concludeert Rozendaal. ‘Als ik denk aan wat mijn arme moeder allemaal voor ellende heeft moeten doorstaan omdat wetenschappers zo goed wisten wat goed voor haar was… Ze moest zoutarm gaan eten, want dat was goed voor haar bloeddruk. Het was verschrikkelijk smerig, en later hoorde ze dat alleen een groep mensen met een bepaalde genetische aanleg voor zout gevoelig was. Ze moest vetarm gaan eten, want vetten waren slecht voor het cholesterol. Dat bleek later ook onzin te zijn, want maar een paar soorten vetten zijn uitgesproken slecht. Transvetten in kant-en-klare producten en margarines zijn slecht, weten we nu, maar vetten in olijfolie doen geen kwaad.’
Als onderzoekers met de media in contact treden zouden ze moeten aangeven hoe zeker ze van hun uitspraken zijn, vindt Rozendaal. ‘Jullie zouden vlaggetjes bij jullie uitspraken moeten zetten. ‘Dit weten we zeker.’ ‘Dit weten we bijna zeker.’ ‘Dit zou waar kunnen zijn, maar misschien ook niet.’ Als jullie zo zouden werken, dan zou dat een stuk schelen.’
Wim Meij, verslaggever van het Algemeen Dagblad, gelooft ook dat de media niet verantwoordelijk zijn voor de verwarring bij de consument over gezonde voeding. Maar Meij legt de verantwoordelijkheid niet alleen bij de wetenschappers. ‘De bedrijven dragen net zo hard aan de ruis over gezondheid en voeding bij. Unilever bijvoorbeeld is rijk geworden van de onterechte angst voor vet, en heeft allerlei margarines op de markt gebracht met weinig vetten. En nu weten we dan dat de vetten die Unilever uit die producten heeft gehaald helemaal niet zo slecht waren. ‘Let Op Vet’, weten we nu, was een onjuiste aanbeveling. Transvetten zijn slecht. En die zitten weer wel in de margarines van Unilever.’

Obesitas
Unileverman Verschuren gaat er niet op in. ‘We gaan het nu niet over onze producten hebben’, zegt hij. In plaats van hem gaat drs Yvonne van Sluys, directeur van het Voedingscentrum, tegen Meij in. ‘Letten op vetten heeft wel degelijk zin’, zegt ze. ‘Via vetten kun je ongemerkt veel calorieën binnenkrijgen, en ik hoef hier niet te vertellen wat voor enorm probleem obesitas aan het worden is.’ En wat die transvetten betreft, daarvoor gelden inmiddels normen waaraan Unilever zich keurig houdt. Sterker, dankzij de Nederlandse voedingsindustrie krijgt de gemiddelde Nederlander minder transvetten binnen dan bijvoorbeeld de gemiddelde Amerikaan.
Verslaggever Meij heeft nog een ander voorbeeld. ‘Wat dachten jullie van de chupa chups-lolly? ‘Het is niet snoepen maar chupa-chuppen’, zegt de reclame, want er zit fruit in. Het is een regelrechte leugen, want niet meer dan een halve procent van die lolly bestaat uit fruit. De rest is suiker.’
Industrie en voorlichting die achteraf onjuist blijkt te zijn brengen de consument in verwarring, vindt Meij, niet journalistiek. ‘Dat het bij jullie zo vaak fout gaat, komt omdat de voedingswetenschap een hechte incestueuze familie vormt die alle ellende met de mantel der liefde bedekt’, zegt Meij. ‘Toen ik in de jaren negentig over voeding en gezondheid ging schrijven kwam ik er al snel achter dat iedereen in deze sector iedereen kent. En als er dan wat was, of het nu om bestrijdingsmiddelen, dioxines of vetten ging, ik kwam bijna altijd uit in Wageningen of bij iemand die in Wageningen had gestudeerd. En vaak was dat iemand die me vertelde dat er niks aan de hand was.’
De kans op belangenverstrengeling in zo’n situatie is aanwezig, vindt Meij. ‘Daar zou iets aan moeten gebeuren. Jullie zouden afspraken moeten maken.’

Dioxinecrisis
Desondanks zijn Meij en Rozendaal tot zelfkritiek bereid, wordt duidelijk als drs Irene van Geest, directeur Risico-communicatie van de VWA, de journalisten vraagt of ze hun bronnen wel wegen. ‘De dioxinecrisis begon toen de Consumentenbond riep dat er een schandaal was’, zegt Van Geest. ‘En toen jullie en jullie collega’s dat overnamen begon de feitelijke crisis. Zouden jullie niet wat beter moeten letten op welke bron je gebruikt?’
‘Daar worden we kritischer op’, antwoordt Rozendaal. ‘Net zoals wetenschappers paradigmawisselingen hebben, hebben wij die ook. Vroeger liepen we bijvoorbeeld achter de Lucas Reijndersen aan. We namen de verhalen over bestrijdingsmiddelen grif over – verhalen waarvan we nu moeten zeggen dat ze niet kloppen. Tegenover dat soort onheilsprofeten uit de hoek van de milieubeweging zijn we kritischer geworden.’
Dat journalisten er soms faliekant naast zitten is echter nooit helemaal te vermijden, vindt Rozendaal. ‘Van alle tien verhalen die ik schrijf is er wel eentje waaraan ik later liever niet herinnerd word. Je gaat altijd wel een keer nat.’ Recent ging Rozendaal bijvoorbeeld onderuit in een artikel over verontreiniging in zalm toen Amerikaanse wetenschappers in Science rapporteerden over PCB’s en bestrijdingsmiddelen in zalm. Omdat de Amerikanen een ongebruikelijke rekenmethode gebruikten kwamen ze tot de alarmerende conclusie dat consumenten maar een paar keer per jaar zalm kunnen eten. ‘Daarbij zie je dan over het hoofd dat de vetten in zalm veel meer bijdragen aan de gezondheid dan dat die PCB’s en bestrijdingsmiddelen er afbreuk aan doen.’

Body Mass
Na afloop van de discussie is er een buffet. De belangrijkste eiwitbron is, uiteraard, vis. Terwijl de vermoeide aanwezigen zich voeden barst Meij nog van de energie. ‘Weet je waar ook niets van klopt?’, zegt hij tegen gastheer Frans Kok. ‘Van die Body Mass Index. Als ik mijn lichaamsgewicht deel door mijn lengte in het kwadraat kom ik boven de dertig. Volgens die maat heb ik ernstig overgewicht.’ De breedgeschouderde journalist opent zijn jas en gunt de jaloerse omstanders een blik op een platte buik. ‘Nou?’, zegt hij. ‘Ben ik obees?’
‘Misschien heb je een afwijkende lichaamssamenstelling, met veel bot- en spiermassa’, zegt Kok. ‘Als we je in Wageningen onder water zouden wegen moeten we daar achter kunnen komen. Onze afdeling heeft daarvoor de apparatuur. Als je wilt kunnen we het voor je doen.’ De journalist gaat akkoord. Hij heeft toch al een afspraak om Kok te bezoeken voor een reportage. ‘Maar dan willen we wel een hele pagina, Wim’, zegt Kok.
De discussie was niet vrijblijvend. Een commissie van de Academie gaat de uitkomsten van de discussie verwerken in een actiedocument. Dat moet onderzoekers, bedrijven, voorlichters en de media aansporen om de berichtgeving te verbeteren.

Willem Koert

Meer informatie over de Nederlandse Academie van Voedingswetenschappen: www.voedingsacademie.nl

Re:ageer