Student - 9 oktober 2008

Condoom als voetbal

Een half jaar lang deed hij op het platteland van Malawi onderzoek naar de problemen van wezen. Sten Borst, derdejaars masterstudent Internationale ontwikkelingsstudies, ging op de bonnefooi. ‘Eigenlijk niks voor mij om zomaar te vertrekken.’ Maar het is hem goed bevallen.

nieuws_2468.jpg
nieuws_2468.jpg

Foto: .

‘In de hoofdstad logeerde ik eerst bij een kennis van een Keniaanse student uit Wageningen. Ik nam contact op met de partnerorganisatie van Cordaid, en na een maand kon ik naar een stadje in het zuiden van Malawi. Daar werd ik opgevangen door Richard, van die partnerorganisatie.
Nadat ik met allerlei ngo’s gepraat had, heb ik vier weken in twee verschillende dorpen doorgebracht, voor onderzoek naar childheaded households. Zelf logeerde ik dan bij de chief of de arts, waar ik tenminste in een bed kon slapen. Er was geen elektriciteit, geen stromend water en geen normale wc, maar zelfs dat went. De meeste mensen woonden in donkere kleine hutjes en sliepen op een matje op de grond. Dat vond ik echt onbeschrijflijk, het leven daar is niet te vergelijken met dat in een Europees land. Je ziet daar echte armoede. Malawi is een heel populair land voor donororganisaties. Er wordt veel ontwikkelingsgeld ingepompt. Als je dan die ondervoede kinderen ziet, vraag je je wel af waar dat geld toch heen gaat.
Ik wilde weten hoe kinderen leven die hun ouders hebben verloren aan aids. Mijn belangrijkste bevinding is dat het gewone kinderen zijn, met dezelfde problemen als kinderen met ouders: gebrek aan voedsel, kleding, niet naar school kunnen gaan en gezondheidsklachten.
Ook de weeskinderen hebben, net als de andere kinderen, tijd om te lachen en te spelen. Van ijzer- en koperdraad maken ze autootjes. Soms steken ze daar een stok in als stuur en gaan ermee rennen. En ze voetballen veel. De ballen maken ze door een condoom op te blazen, die worden gratis uitgedeeld. Aan de buitenkant doen ze er dan stukken plastic omheen, die ze vastbinden met touw.
In de dorpen gaan de kinderen wel naar school, maar niet elke dag. Het onderwijs is gratis, maar als een kind een schooluniform aanheeft dat vies of kapot is, stuurt de hoofdmeester hem naar huis. En soms gaan ze niet omdat ze geen zin hebben of geen ontbijt hebben gehad.
Die kinderen doen wel wat met je. De meeste bewondering had ik voor de ­meisjes. Vrouwen staan aan het hoofd van de huishouding en bewerken het land. Je moet je voorstellen dat een meisje van tussen de 12 en 21 jaar de zorg voor haar broertjes en zusjes heeft. Die meisjes ­dragen een kind op hun rug en water of zakken maïs op hun hoofd. Door kleine klusjes voor anderen te doen, zoals kleren wassen, verdienen ze een paar centen of wat eten. Of ze zoeken de akkers af naar achtergebleven maïs. Onvoorstelbaar.’

Re:ageer