Wetenschap - 1 januari 1970

Communicatieprof Leeuwis heeft twijfels bij de ‘kennismarkt’

Communicatieprof Leeuwis heeft twijfels bij de ‘kennismarkt’

Communicatieprof Leeuwis heeft twijfels bij de ‘kennismarkt’


‘Contracten leiden tot een inperking van het leervermogen’

Marktdenken in onderzoek en onderwijs belemmert creatieve vernieuwingen,
vindt de nieuwe hoogleraar communicatie en innovatiestudies prof. Cees
Leeuwis. Die zogenaamde ‘kennismarkt’ vraagt vooral om projectvoorstellen
waarin al vast staat wat relevante vragen en resultaten van onderzoek
moeten zijn, en laat zo geen ruimte voor innovaties.

Nee, hij wil niet terug naar een overheid die met een verstokte
bureaucratie onderzoekers voorschrijft wat ze moeten doen, herhaalt Leeuwis
meermalen tijdens het interview aan de keukentafel van zijn huis in Renkum.
Maar hij wil wel kanttekeningen plaatsen bij de zogenaamde kennismarkt.
Niet alleen in privaat onderzoek, maar ook in publieke
onderzoeksfinanciering is een markt gecreëerd waarin aanbieders van kennis
met projectvoorstellen kunnen meedingen naar financiering. Maar, zegt
Leeuwis, de overheid blijft de vragende partij. En zij blijft, als
voorwaarde voor financiering, definiëren waar onderzoek, onderwijs en
innovatie over zou moeten gaan. In die outputfinanciering wringt de schoen,
denkt Leeuwis. Want als het gaat om kennis en innovatie is het niet
duidelijk wat de vraag is en wat het aanbod is. Leeuwis: ,,De notie van
'vraag' en 'aanbod' van kennis suggereren dat er iemand is die kennis
vraagt, en iemand die het aanbiedt, waarbij de eerstgenoemde de
laatstgenoemde moet betalen. Dat werkt misschien in het geval van al
beproefde adviezen en innovaties. Maar niet als het gaat om nieuwe ‘socio-
technische’ innovaties. Daar zijn de vragen in het begin sowieso niet
duidelijk, is veel relevante kennis nog impliciet, maar staat wel vast dat
vele betrokkenen relevante kennis hebben in te brengen.’’ Innovatie is dan
een kwestie van onderhandeling tussen verschillende partijen, stelt
Leeuwis, en daarbij is het onduidelijk wie voor wat en aan wie zou moeten
betalen.

Luchtkastelen
Het idee van een kennismarkt voor innovatie gaat uit van een te simpel
beeld van kennis. De kennismarkt richt zich alleen op inhoudelijke kennis
en gaat voorbij aan andere vormen van denken die bij innovatie spelen,
zoals vertrouwen en onderlinge verantwoordelijkheid. Bovendien leidt de
kennismarkt tot onderlinge concurrentie om publiek gefinancierde projecten,
bijvoorbeeld tussen agrarisch praktijkonderzoek en
voorlichtingsorganisaties. Terwijl innovatie juist gebaat is bij vrije
kennisuitwisseling.
Wie werkelijke vernieuwing wil, concludeert Leeuwis, zou niet van tevoren
in detail moeten vastleggen waar het onderzoek precies over moet gaan, of
waar onderwijs toe moet leiden. Allerlei tendersystemen in de kennismarkt
verlangen dit juist wel van onderzoekers, docenten en voorlichters,
betoogde Leeuwis ook in zijn onlangs uitgesproken inaugurele rede ‘Van
strijdtonelen en luchtkastelen’.
Die paradox in de kennismarkt leidt tot grappige taferelen, ook binnen
Wageningen UR, denkt Leeuwis. Hoogleraren moeten naar financiering voor
onderzoek dingen bij de onderzoeksscholen, die ‘NWO-tje spelen’, zoals
Leeuwis het formuleert. Promovendi schrijven daarom dichtgetimmerde
voorstellen waarin de precieze vraagstelling, methode en relevantie van het
onderzoek beschreven staat, louter met de bedoeling geld los te krijgen
binnen door de financier gestelde kaders. ,,Een goede promovendus gooit dat
voorstel, als het geld binnen is, vervolgens in de prullenbak’, zegt
Leeuwis. Want onderzoek kan alleen vernieuwend en maatschappelijk relevant
zijn als nou juist niet van tevoren vaststaat wat de precieze vragen en het
te volgen traject zijn. In de innovatiepraktijk gebeurt dat ook veel, denkt
Leeuwis. Maar dat wil niet zeggen dat er niks aan de hand is.
,,Inhoudelijke vragen en uitdagingen voor innovatie worden bijvoorbeeld
niet opgepikt, omdat ze buiten het mandaat of tijdsbestek van het contract
vallen, of niet passen in de vooraf afgesproken budgetverdeling. Het leidt
dus tot een inperking van het leervermogen. Ook al omdat opdrachtgevers een
totaal vertekend beeld hebben van wat zich in de praktijk afspeelt, en
omdat in de communicatie naar buiten toe - met het oog op toekomstige
financiering - vooral positieve ervaringen worden geconstrueerd en
uitgesponnen. Problemen en mislukkingen worden afgeschermd, terwijl daarvan
juist het meest geleerd zou kunnen worden.

Re:ageer