Wetenschap - 6 december 2001

Commentaar: Afghaanse landbouw

Commentaar: Afghaanse landbouw

Iran heeft minister Jozias van Aartsen van Buitenlandse Zaken gevraagd of Nederland kan helpen met een alternatief voor de opiumteelt in Afghanistan. Van Aartsen heeft beloofd het daar met zijn collega van landbouw Brinkhorst over te hebben. Dit moet nog gebeuren. Kan Nederland inderdaad helpen en is hier kennis in huis om de voedselvoorziening in Afghanistan veilig te stellen?

Dr Bram Schreuder, ID-Lelystad:

"Ik kom nu twintig jaar in Afghanistan en ben als voorzitter van het Dutch Committee for Afghanistan sinds 1988 betrokken bij een hulpverleningsprogramma. Dat gaat vooral om de gezondheid van vee, dus van akkerbouw weet ik niet zoveel. Gewassen verbouwen kan in Afghanistan alleen in de valleien, hooguit vijftien procent van het land. Ruim drie kwart van het land bestaat uit bergen die alleen extensief begraasd kunnen worden.

De papaverteelt vindt plaats in die valleien waar onvoldoende water is voor andere teelten. Het is een van de weinige gewassen die goed tegen droogte kunnen en bovendien nog eens heel veel opbrengt. Is er voldoende water en een goede irrigatie, dan kun je ook makkelijk iets anders telen.

Als je het hebt over voedselzekerheid, dan speelt vee een heel grote rol. Van oudsher garandeert het vee samen met akkerbouw in een lokaal productiesysteem het bestaan van tachtig procent van de bevolking. Vee zorgt mest en trekkracht. Verder vormt vee een buffer in tijden dat de landbouw niet zoveel opbrengt.

Voor de oorlogen leefden er zo'n 25 miljoen schapen in het land. Naast de productie van aardgas is dat zo'n beetje het enige waar het land zich voor leent. Voor de Sovjet-invasie van kerstmis 1979 exporteerde Afghanistan aardgas naar Rusland en daarnaast vooral veehouderijproducten zoals wol, tapijten en vlees.

Op het moment is er weinig over van de veestapel. Na de eerste tien jaar oorlog waren er nog zo'n vijftien miljoen schapen. De afgelopen twee jaar zijn erg droog geweest en nu zijn er nog zo'n twaalf miljoen schapen. Probleem is dat de overgebleven veestapel veel last heeft van ziekten. Ondervoede schapen en koeien zijn ook erg gevoelig voor bijvoorbeeld ingewandsparasieten.

Daarom zijn we in 1988 gestart met een veterinair hulpprogramma. We leiden lokale mensen op tot paraveterinair, waarvan er nu zo'n vijfhonderd zijn. Zij krijgen medicijnen tegen kostprijs en vaccins, en hebben voldoende kennis om vee te behandelen. Het blijkt dat de sterfte onder vee in regio's met paraveterinairen veel lager is dan in regio's zonder die mensen. Als we alle kosten optellen dan levert iedere dollar 2,4 tot 4,8 dollar op in uiteindelijke economische vooruitgang. Ons project is dus heel succesvol en levert een duidelijke bijdrage aan de voedselzekerheid in het land.

In Nederland zijn wij waarschijnlijk de enige organisatie die zulke kennis in huis heeft over Afghanistan. Toch jammer dat Buitenlandse Zaken ons niet meer wil subsidi?ren, omdat hun subsidiepot alleen voor noodhulp is. Onze hulp is 'te constructief'. Ook de Programmaleiding van het DLO-brede Noord-Zuid-programma ziet er niets in. Misschien gaat dat nu veranderen?" | L.N.

Re:ageer