Organisatie - 30 november 2006

Campus op de berg

Op de Wageningse Berg had een campus kunnen liggen, als de Eerste Kamer in 1919 niet zo gierig was geweest. De senaat torpedeerde een plan voor de bouw van een groot complex voor de Rijks Landbouwhogeschool, waarmee ‘Delftse toestanden’ waren voorkomen.

43_opinie_0.jpg
Het wordt nu campus De Born, maar het had al driekwart eeuw campus De Breyen kunnen zijn. Op 20 maart 1919 presenteerde de Landbouwhogeschool aan de toenmalige minister van Landbouw, Nijverheid en Handel, ir. H.A. van IJsselstein, een volledig plan voor de bouw van een aaneengesloten gebouwencomplex, met fiat van de rijksbouwmeester.
Voorgesteld werd om een groot centrum te stichten op de Wageningse Berg, door de grond te kopen rond de ‘Breyen’ – door een verschrijving nu bekend als De Dreijen. Het ging om dertig hectare, ruwweg het terrein tussen de Arboretumlaan, de Ritzema Bosweg, de Diedenweg en de bergrand. Het gebied omvat onder meer Groot Hinkeloord en landgoed Belmonte. Het hoofdgebouw, de aula en de bibliotheek waren gepland in het hart van de campus, tegenover het huidige Laboratorium voor Microbiologie aan de andere kant van de Hesselink van Suchtelenweg.
Door alle gebouwen dicht op elkaar te plaatsen hoopte men de samenwerking tussen de laboratoria te vergemakkelijken. De net tot Landbouwhogeschool verheven instelling dacht zo bovendien in één klap het ruimtegebrek op te lossen na de sterke groei van studentenaantallen. De bestaande gebouwen, toen vooral geconcentreerd in het stadcentrum rond Duivendaal en het Salverdaplein, konden eenvoudig een andere bestemming vinden.
Rector Aberson had de plannen al bijna een jaar eerder – in mei 1918 – in de week gelegd bij de minister. Hij had daarop de opdracht gekregen de benodigde gronden in voorverkoop te krijgen. De door hem ingestelde commissie van hoogleraren was het, na onderhandelingen met ruim veertig eigenaren, uiteindelijk gelukt het complete complex in voorverkoop te krijgen voor 700 duizend gulden.
Omdat het een rijksinstelling betrof, moest het plan voor goedkeuring naar de Eerste en Tweede Kamer. De Tweede Kamer keurde het zonder opmerkingen goed, maar het voorstel sneuvelde in de zitting van de Eerste Kamer op 18 september 1919. Een Kamermeerderheid onderschreef de visie van het ‘één complexplan’, maar vond het te duur voor een complex van dertig hectare, waarvan bovendien een deel pas ‘te gelegener tijd’ in gebruik zouden worden genomen.
Minister Van IJsselstein deed zijn uiterste best de Kamerleden op andere gedachten te brengen: ‘Men kan de weg inslaan die in Delft gevolgd is en hier en daar in de stad een gebouw plaatsen, maar dat acht ik verkeerd. Ik heb er op aangedrongen, dat men in Wageningen er één geheel van zou maken. (…) De toestand is daar absoluut onhoudbaar.’ Zijn pleidooi was tevergeefs: van de 36 Kamerleden stemden 27 tegen. Ze verwachtten dat een onteigeningsprocedure tot een veel lagere grondprijs zou leiden.
De Kamernederlaag – en de daarop volgende crisisjaren – betekende dat er in Wageningen maar mondjesmaat en verspreid over de stad werd gebouwd. Alleen de Laboratoria voor Plantenfysiologie en Microbiologie zouden – in gezelschap van de aangekochte villa Hinkeloord (Bosbouw) – nog voor de Tweede Wereldoorlog op de bergrand verschijnen.
De echte nieuwbouw op De Dreijen kwam pas eind jaren vijftig van de grond. Maar toen was de Wageningse archipel al lang een voldongen feit.

Re:ageer