Wetenschap - 1 januari 1970

Bovengronds mest uitrijden wel of juist niet beter voor milieu?

Bovengronds mest uitrijden wel of juist niet beter voor milieu?

Bovengronds mest uitrijden wel of juist niet beter voor milieu?


Sociologen en dieronderzoekers betwisten elkaars conclusies

Er tekent zich een kloof af tussen onderzoekers van het Praktijkonderzoek
Veehouderij (PV) aan de ene kant en onderzoekers van leerstoelgroep Rurale
sociologie aan de andere kant. Het PV heeft in overleg met de sociologen
een bemestingsproef op grasland uitgevoerd bij twee Friese melkveehouders.
Volgens de sociologen blijkt daaruit dat bovengronds uitrijden, binnen een
aangepast bedrijfsysteem, beter voor het milieu is dan injecteren. De
onderzoekers van het PV concluderen juist dat injecteren van de mest beter
is voor het milieu.

Er woedt al langer een discussie tussen onderzoekers van het
Praktijkonderzoek Veehouderij en onderzoekers van de leerstoelgroep Rurale
sociologie. Inzet is de manier van boeren. Is de werkwijze van de
melkveehouders van de milieucoöperaties Vel en Vanla aantoonbaar beter voor
het milieu dan die van gangbare boeren? Dit is een lastige vraag omdat er
zoveel aspecten in de bedrijfsvoering meespelen. Daarom is het PV begonnen
met de vraag of de benutting van stikstof bij de toediening van mest
verbetert bij de Vel-Vanla-boeren. Om daar achter te komen zette het PV in
1999 een graslandproef op bij twee melkveehouders, een gangbare en een VEL-
Vanla-boer (zie kader). De resultaten van de proef verhevigen echter de
discussie tussen de onderzoekers. Beide groepen baseren hun conclusies op
dezelfde resultaten, die zij ieder op een andere manier hebben bewerkt.
Uitkomst van de discussie is allesbepalend voor de melkveehouders zelf. De
Vel-Vanla-boeren zijn er zelf van overtuigd dat met hun manier van werken
de stikstofuitstoot drastisch daalt en zelfs zo laag is dat bovengronds
uitrijden minstens even weinig uitstoot van ammoniak geeft als het
wettelijk verplichte injecteren. Een deel van deze boeren heeft een
vrijstelling voor het injecteren, maar die loopt een keer af, als er geen
bewijzen voor de stelling van de boeren komt. De huidige graslandproef
geeft die bewijzen, gezien de commotie tussen de onderzoekers, niet.
Een intern rapport van het PV riep veel weerstand op bij de sociologen,
maar die wilden er nog niet mee naar buiten treden. Inmiddels zijn de
verschillende inzichten gepubliceerd in een blad van de milieucoöperaties
zelf. Binnenkort verschijnen van beide groepen onderzoekers een
wetenschappelijk artikel in Netherlands Journal of Agricultural Science.

[kader1]
[kop] Opzet van de graslandproef
De opzet van de proef is simpel maar wel omvangrijk. Eerst is gekozen voor
een melkveehouder, Taeke Hoeksma, waarvan de onderzoekers zeiden, die werkt
precies volgens de methode van Vel en Vanla en dat al jaren lang. (zie
kader ‘Werkwijze van Vel en Vanla’). Hoeksma is een van de grondleggers van
deze manier van boeren. Hij geeft zijn koeien een structuurrijk en eiwitarm
rantsoen, produceert structuurrijke mest, strooit bijna geen kunstmest en
rijdt zijn mest, met ontheffing, bovengronds uit. Bovendien voegt hij
toevoegmiddelen toe aan de mest om de werking van de mest nog verder te
bevorderen. Daar tegenover plaatsten de onderzoekers een boer, Sikke
Sikkema, die juist volgens de gangbare methode werkt: Hij werkt zonder
aangepast rantsoen en brengt zijn mest met een zodebemester in de grond.
Mest van beide bedrijven werd bij beide boeren uitgereden, zowel
bovengronds als geïnjecteerd, met wel of geen toevoegmiddelen aan de mest
en bij een hoge en met een lage kunstmeststikstofgift. Daarnaast was er bij
ieder bedrijf een veld waar geen enkele behandeling op werd uitgevoerd, het
zogenoemde nulveld en een waar alleen kunstmest werd uitgereden. Zo
ontstaan 12 verschillende behandelingen per boer die in herhaling werden
uitgevoerd. Deze behandelingen zijn inmiddels vier jaar lang uitgevoerd.
Het gras van alle veldjes is ieder jaar een aantal malen gemaaid en
bemonsterd.
[einde kader1]

[kader 2]
[kop]Werkwijze van Vel en Vanla
[tekst]De beide agrarische milieucoöperaties Vel en Vanla zijn al jaren
bezig met een 'andere' manier van boeren. Ze gaan sterk uit van de
kringloopgedachte op het bedrijf. De koeien krijgen minder eiwitrijk en
meer structuurrijk gevoerd dan gangbare boeren. De gedachte is dat daardoor
een mest ontstaat die structuurrijker is, een koolstof/stikstof verhouding
heeft die hoger is dan gangbaar en minder minerale maar relatief meer
organisch gebonden stikstof bevat. Deze mest 'voedt' als het ware de bodem,
er ontstaat ander gras dat ook nog eens later dan normaal gemaaid wordt.
Daardoor bevat het meer structuur en minder eiwit, een goede basis voor het
rantsoen van de koe en de cirkel is rond. De boeren en met hen de
onderzoekers van onder andere Rurale sociologie denken dat deze manier van
boeren tot veel minder stikstofverliezen leidt dan in de gangbare landbouw.
Daarom vinden ze het gerechtvaardigd dat deze boeren zelf bepalen hoe ze
hun mest uitrijden. Die doen dat liever bovengronds omdat ze dan vaker
kleine beetjes tegelijk uit kunnen rijden en het bodemleven - uitermate
belangrijk in de filosofie - niet verstoren.
[einde kader 2]

Mestinjectie beter
De onderzoekers van het PV, dr René Schils en ir Ivonne Kok, concluderen op
basis van de cijfers dat de planten de stikstof 18 procent beter benutten
bij mestinjectie dan bij bovengronds uitrijden. Verder maakte het niet uit
of de mest van Sikkema of van Hoeksma gebruikt werd. Bij beide is de
stikstofbenutting ongeveer even groot, de ene keer is de ene mest beter, de
andere keer de andere. De onderzoekers zien ook nog geen effect van de
manier van toedienen van de mest in het organische stofgehalte van de bodem
en stikstofgehalte. Maar, vinden de onderzoekers, dat kan ook niet omdat de
proef daarvoor niet lang genoeg duurt.
De onderzoekers van Rurale Sociologie, prof Jan Douwe van der Ploeg en ir
Frank Verhoeven, zijn het niet eens met de conclusies van het PV. Volgens
Van der Ploeg en Verhoeven is de methode van Hoeksma, die overeenstemt met
de theorie over een milieuvriendelijke manier van boeren, beter voor
grasopbrengst en milieu.
Over en weer is er kritiek op de manier van analyseren. De sociologen
vinden dat de onderzoekers van het PV te veel naar gemiddelden hebben
gekeken. Je kan niet alle veldjes waar is geïnjecteerd bij elkaar op tellen
en middelen en die vergelijken met de veldjes waar bovengronds is
uitgereden, vinden Van der Ploeg en Verhoeven. Daarmee gaan de PV-ers
voorbij aan de mogelijkheid dat als een boer zijn eigen mest uitrijdt op
zijn eigen grond bovengronds uitrijden een ander effect kan hebben dan als
dit gebeurt op andere grond met andere mest. De sociologen vinden dan ook
dat er eigenlijk alleen conclusies te trekken zijn uit de veldjes die het
meest overeenkomen met de werkwijze van beide boeren. Dat zijn er op ieder
bedrijf twee. Dan blijkt de opbrengst aan drogestof op het bedrijf van
Hoeksma hoger te zijn dan op dat van Sikkema, de gangbare boer. Ook de
stikstofefficiëntie, het aantal kilogram stikstof die nodig is om een
kilogram drogestof te produceren, is bij Hoeksma hoger Dat betekent dat er
minder stikstof verloren gaat bij bovengronds uitrijden van de mest van
Hoeksma op zijn eigen grond dan bij injecteren van de mest van Sikkema op
grond van Sikkema. De sociologen hebben ter illustratie een tabel
samengesteld en gepubliceerd in het tijdschrift van Vel en Vanla. Wie in
deze tabel alleen kijkt naar de kolomgemiddelden concludeert dat het niet
uit maakt of een veehouder zodebemest of bovengronds uitrijdt. De
stikstofefficiëntie is even groot. Dat is wat het PV doet, beweren de
sociologen. Bij vergelijking op de bedrijven zelf krijg je een andere
conclusie. Bij Hoeksma is bovengronds aanwenden beter en bij Sikkema
zodebemesten.

Selectief winkelen
Schils en Kok zijn het hier niet mee eens, omdat zij naar alle veldjes
hebben gekeken en niet alleen naar de vier die de sociologen eruit hebben
gehaald.

Tabel Gemiddelden leiden tot een andere conclusie over de
stikstofefficiëntie dan vergelijking van veldjes
| |Zodebemesten |Bovengrondse |Rijgemiddelde |
| | |aanwending | |
|Hoeksma's |18,6 |19,6 |19,1 |
|bedrijfssysteem | | | |
|(Vel en | | | |
|Vanla-aanpak) | | | |
|Sikkema's |13,8 |13,4 |13,6 |
|bedrijfssysteem | | | |
|(gangbare | | | |
|aanpak) | | | |
|Kolomgemiddelde |16,2 |16,5 | |
| | | | |

[bijschrift] De cijfers geven de stikstofefficiëntie weer.

Schils en Kok vinden deze manier van omgaan met de cijfers niet juist.
,,Zij winkelen wel erg selectief in de cijfers'', vindt Schils. ,,Wat mij
betreft is het een locatie-effect. Als je wilt laten zien dat de manier van
werken van Hoeksma beter is dan van Sikkema dan heb je een heleboel
Sikkema's en Hoeksma's nodig. Dat kan niet met deze proef.'' Ook vinden ze
de kritiek van de sociologen dat zij alleen naar de hoofdeffecten hebben
gekeken onterecht. Schils: ,,We hebben naar hoofdeffecten gekeken én naar
alle mogelijke interacties.

Conventioneel
De beide groepen onderzoekers hebben hun bevindingen verwoord voor een
wetenschappelijk tijdschrift. Hierin draait het vooral om de statistiek.
Drs Albert Otten, van de leerstoelgroep Wiskundige en statistische
methoden, heeft beide artikelen, op verzoek van Wb, bestudeerd. Otten noemt
de manier waarop Kok en Schils te werk zijn gegaan ‘tamelijk conventioneel,
zoals ik dat ook zou doen’. Wel vindt hij het niet netjes dat nergens de
naam van de proef, een split-plot, opgeschreven staat. Verder wijst hij
erop dat deze proef heel veel gegevens oplevert over de twee boeren. ,,Je
leert dus heel veel van hen maar je kan geen algemene uitspraken doen.''
Hij heeft echter forse kritiek op de aanpak van de sociologen. ,,Op die
paar veldjes kan je geen statistische analyse loslaten. Dat rammelt aan
alle kanten. Het zijn herhaalde waarnemingen aan dezelfde plot. Er is
bijvoorbeeld maar een maal geloot, van dat ene veldje weet je alles, maar
het gaat om de variabiliteit tussen de veldjes.''
Otten heeft ook kritiek op de onderbouwing die Van der Ploeg en Verhoeven
geven. Zij voeren een extra variabele in, change genaamd. Deze variabele is
nul als de behandeling volledig volgens de Hoeksma-methode gebeurt. Zodra
hier één afwijking van is, bijvoorbeeld door Hoeksma's mest te injecteren,
dan krijgt de variabele een 1. Verandert er nog iets in de
uitgangssituatie, bijvoorbeeld door een toevoegmiddel aan de mest toe te
voegen, dan wordt de variabele 2. Variabele 4 is dan gelijk aan de methode
van de andere boer, Sikkema. In de grafiek waarbij de variabele uitgezet
wordt tegen de drogestofproductie neemt de productie steeds verder af
naarmate de variabele toeneemt. Otten: ,,Zo'n variabele mag je bij deze
proef nooit doen. Ze gaan er vanuit dat alle maatregelen een even groot
effect hebben. Ze gooien alles op een hoop met de boerderij als factor. Dat
is een versimpeling waardoor je dingen ontgaan. Het kan best zijn dat de
ene wijziging gunstig is en de andere niet.''
Van der Ploeg verwijst voor zijn aanpak naar statisticus Piet Verschuren,
werkzaam bij leerstoelgroep Milieubeleid. Die zegt in een eerste
commentaar: ,,Selectief winkelen mag best, zolang je maar weet dat een
andere selectie niet een heel ander resultaat geeft.'' Meer wil hij er niet
over zeggen, tijd om beide artikelen te lezen wil hij er niet voor nemen.
De wetenschappelijke artikelen verschijnen binnenkort. Prof. Lijbert
Brussaard, hoogleraar Bodembiologie en biologische bodemkwaliteit en
medeverantwoordelijk voor de uitgave van NJAS, geeft Van der Ploeg en
Verhoeven het 'voordeel van de twijfel'. Hij baseert zich daarbij op een
onafhankelijk statisticus, net als Otten van de leerstoelgroep Wiskundige
en statistische methoden. ,,We plaatsen beide artikelen en wijden er dan
een redactioneel commentaar aan.''

Leonore Noorduyn

Fotobijschrift:
Bovengronds mest uitrijden mogen veehouders alleen met een ontheffing omdat
dit het milieu te veel zou belasten. Boeren van de milieucoöperaties Vel-
Vanla willen echter geen mest injecteren omdat dit het bodemleven te veel
zou verstoren | Foto Guy Ackermans

Re:ageer