Wetenschap - 1 januari 1970

Boerenorganisaties centraal op ketencongres

Hoe zorg je dat kleine boeren in ontwikkelingslanden kunnen meedoen in de wereldwijde economie? Sterke organisaties van producenten zouden een antwoord kunnen zijn. Die producentenorganisaties stonden ook in de belangstelling op het jaarlijkse internationale ketencongres dat de leerstoelgroep Bedrijfskunde op 1 en 2 juni verzorgde.

Quinoa is een graangewas dat op de hoogvlakten van de Andes door duizenden kleine boeren geteeld wordt voor de lokale markt en voor export naar de Verenigde Staten of Europa. Exportbedrijven kunnen die uitvoer regelen, maar ook boerenorganisaties. Dat kan als voordeel hebben dat de boeren zelf meer geld krijgen voor hun oogst, in plaats dat de winst naar het exportbedrijf gaat.
De producentenorganisaties zijn echter niet alleen opgericht om de productie efficiënter te maken, zegt ir. Giel Ton, onderzoeker van het LEI die een paper presenteerde op het ketencongres, dat hij schreef met dr. Jos Bijman van Bedrijfskunde. ‘De organisaties hebben ook een sociale en politieke rol, namelijk het behartigen van de belangen van boeren en het uitschakelen van tussenhandelaren.’ De overheid en de ambassades zien de producentenorganisaties echter vooral als een gewoon bedrijf. Zouden ze kiezen voor de producentenorganisaties, dan zou dat oneerlijke concurrentie zijn ten opzichte van exportbedrijven. ‘Toch zijn er goede argumenten om de voorkeur te geven aan producentenorganisaties’, zegt Ton, ‘want sterke producentenorganisaties zorgen voor een duurzame ontwikkeling van de quinoaketen. Terwijl exportbedrijven net zo makkelijk op een ander product overstappen.’ Overheden en ambassades moeten dit conflict tussen producentenorganisaties en exportbedrijven onderkennen, en kiezen voor de eerste, concludeert Ton.
De paper van Ton en Bijman was een van de tachtig presentaties op het zevende internationale ketencongres van de leerstoelgroep Bedrijfskunde. De 250 bezoekers bezochten sessies over onder andere logistiek, bestuur en innovatie in ketens. Behalve onderzoekers waren er ook topmanagers uit de agribusiness.
Een belangrijk thema op het congres was ook de integratie van boeren uit ontwikkelingslanden, aldus Bijman, één van de organisatoren. ‘Het internationale karakter van ketens en de vragen die dat oproept in ontwikkelingslanden worden steeds belangrijker, ook voor de Nederlandse ministeries en voor Wageningen UR.’ De producentenorganisaties staan bijvoorbeeld ook in de belangstelling bij minister van ontwikkelingssamenwerking Van Ardenne, die onlangs 50 miljoen euro bestemde voor de versterking van producentenorganisaties. Agri-ProFocus, de Nederlandse netwerkorganisatie voor producentenorganisaties in het zuiden waar ook Wageningen UR aan deelneemt, zal deelnemen in een aantal van die projecten.
Agri-ProFocus organiseerde op het congres een workshop over onderzoek naar producentenorganisaties. Prominente gast was Jack Wilkinson, president van de wereldwijde koepel van landbouw organisaties IFAP. Hij pleitte voor onderzoek naar succesvolle producentenorganisaties, om te achterhalen welke factoren succes bepalen, zodat andere producentenorganisaties en overheden daar van kunnen leren. In veel landen blijkt bijvoorbeeld goede wetgeving over prijsonderhandelingen te ontbreken. Een verplichte verkoop via een veiling, zoals vroeger in Nederland, zou producentenorganisaties betere kansen kunnen geven. / JT

Re:ageer