Wetenschap - 1 januari 1970

Boer en veenweide hebben toekomst

De landbouw heeft het veenweidegebied tot het meest typisch Nederlandse landschap gemaakt. Maar het voortbestaan van de veenweiden staat sterk onder druk, en het is helemaal nog maar de vraag is of de landbouw hier kan blijven bestaan. Want de belangen zijn sterk verdeeld tussen natuurbeheerder en de boer, vooral als het gaat om het grondwaterpeil. Toch zien Wageningse onderzoekers er nog wel een rol voor de boer weggelegd. Maar hij moet zich wel schikken naar de eisen van het landschap.

Aan deze bunker langs de Diefdijk tussen Everdingen en Leerdam is goed te zien welke gevolgen de inklinking van het veen heeft. De bodem is sinds de Tweede Wereldoorlog ongeveer een meter gedaald. / foto Alterra

De veenweide met zijn smalle kavels langs sloten en vaarten en de grazende zwartbonte koeien is typisch Nederlands. Het is ook een van de meest bedreigde landschappen in Nederland. De hoog gelegen, klein verkavelde weiden liggen midden in het groene hart rondom Gouda, boven Amsterdam en in het westelijk merengebied in Friesland, en worden bedreigd door de verstedelijking, de glastuinbouw en de laaggelegen droogmakerijen met akkerbouw en tuinbouw.
De druk op de landbouw is er dan ook groot. En de landbouw heeft het al moeilijk genoeg op de veenweide, door het natte of inklinkende veen, de oprukkende steden en de strenge eisen uit Brussel. Landbouw is er niet makkelijk rendabel te maken, want de kavels zijn klein, de begaanbaarheid van het drassige veen is in de winter matig, en de hoge waterpeilen die dat drassige veen veroorzaken zijn nodig om de inklinking van het veen tegen te gaan. En dan is er nog de Kaderrichtlijn Water van de Europese Unie. Alterra rekende onlangs uit dat vooral de landbouw in de veenweidegebieden moeite zou krijgen om te voldoen de Europese eisen aan de waterkwaliteit. Dat komt onder meer doordat de veenbodem van zichzelf al nutriënten bevat die in het water als vervuilende meststoffen worden beschouwd.

Inversielandschap
Maar misschien wel het grootste probleem ligt in het feit dat er in de veenweidegebieden iets vreemds is gebeurd. In de loop van de geschiedenis heeft het versnipperde waterbeheer ertoe geleid dat landbouwgronden veelal diep liggen en nat zijn en de natuurgebieden hoog en droog. 'Het peil is versnipperd', legt dr. Cees Kwakernaak van Alterra uit. 'Boeren malen naar beneden, natuurbeheerders naar boven. En het zijn allemaal steeds kleiner wordende gebiedjes. De laatste twintig jaar is de versnippering vertienvoudigd.' Daarbij komt dat het boerenland door het lage peil inklinkt, terwijl de natuur steeds hoger komt te liggen. 'Er is een inversielandschap ontstaan, stelt Kwakernaak. 'Als het goed is heb je in de hoge, droge gebieden landbouw en in de lage, natte gebieden natuur. Hier is dat precies andersom.'
En dat kan vreemde en geldverslindende situaties opleveren, vertelt Kwakernaak. 'Het water in de Nieuwkoopse Plassen staat bijvoorbeeld vier meter boven het peil van de daarnaast gelegen droogmakerij Nieuwkoop. Dat betekent dat de plas water verliest naar de droogmakerij, en dat beheerder Natuurmonumenten water in moet laten van de Oude Rijn. Maar dat is van inferieure kwaliteit, dus moet het waterschap een hoop kosten maken om het fosfaat in dat water te verwijderen. En dan zien ze het dure, schoongemaakte water vanzelf weer naar de droogmakerij verdwijnen, vanwaar het weer op de boezem wordt gespuid.'

Megaherinrichting
Voor het versnipperde waterbeheer in het veenweidegebied is de meest logische oplossing volgens Kwakernaak een complete herinrichting van het gebied. Verhuis de landbouw naar de goed begaanbare, hogere gebieden en leg de natuur aan in de natte, lager gelegen gebieden. Zo kun je komen tot grote gebieden met één peilstand, die in een cascadevorm van laag naar hoog en van hoog naar laag verlopen. Dan is het huidige, dure waterbeheer zoals in de Nieuwkoopse Plassen niet meer nodig.
Maar zo'n megaherinrichting is duur, moeilijk en dus politiek nauwelijks te verkopen in tijden van omstreden grote projecten als de Betuwelijn. Misschien is het daarom dat onderzoekers van Wageningen UR voor het behoud van het veenweidegebied een centrale rol zien voor de boer. Op 25 augustus presenteerde de Werkgroep Veenweide van Wageningen UR het boekje '25 X veenweide', met daarin een verzameling essays die de hele breedte beslaat van het onderzoek dat binnen Wageningen UR aan het veenweidegebied wordt gedaan. In die essays speelt de landbouw vaak een belangrijke rol. De werkgroep is dit jaar gevormd door onderzoekers van Proefbedrijf Zegveld, enkele andere praktijkbedrijven van de Animal Sciences Group, het Landbouw Economisch Instituut (LEI), Plant Research International en Alterra.

Hoewel de landbouw het gebied heeft gemaakt tot wat het is, valt er veel voor te zeggen om het veenweidegebied om te vormen tot een parklandschap in een stedelijke omgeving. Daarbij staan natuurbeheer en recreatie voor de stedelingen voorop. Want de belangrijkste opgave in deze meest laaggelegen gebieden van Nederland is het op peil houden van de veenbodem. De inklinking van het veen is afhankelijk van de waterstand. Bij een laag grondwaterpeil, van 55 tot 60 centimeter beneden slootpeil, daalt de bodem met één centimeter per jaar. Staat het water half zo laag, dan daalt de bodem ook maar met een halve centimeter per jaar, blijkt uit metingen die in proefboerderij Zegveld al sinds 1966 gedaan worden. Maar de vraag is of de koeien niet met hun poten in de veenweide zakken bij de hogere peilen die nodig zijn om de bodemdaling te verminderen.
Toch zien onderzoekers in het veenweidegebied van de toekomst een rol voor de landbouw. Volgens dr. Stein Reinhard en ir. Marien Borgstein van het LEI moet die dan wel nieuwe producten en diensten gaan leveren, schrijven zij, 'van streekproducten tot hondenuitlaatservice en van kinderopvang tot ontstressen voor gemeenteambtenaren'. De overheid en de wetenschap zullen de boeren daarin moeten ondersteunen en begeleiden, vinden Reinhard en Borgstein.

Hoge waterstand is nodig om het veen te behouden, maar is slecht voor de koeien
Dat sluit aan bij de visie van ir. Willem Rienks van Alterra. Rienks deed samen met onderzoekers van de Animal Sciences Group een scenariostudie naar de toekomst van het veenweidegebied. Het groene hart kan zich volgens hem ontwikkelen tot 'slow region', een regio om te genieten à la Toscane, waar de stadsbewoner zijn hart kan ophalen aan beleving, recreatie, streekproducten en biologische boeren. Een ander idee is om de lager gelegen gronden van het Groene Hart te ontwikkelen tot een moerasgebied à la de Everglades in Florida, waarin waterrecreatie wordt gecombineerd met natuurontwikkeling en waterbeheer.

Moeraswisselteelt
Uit die studie komt ook een idee om de melkveehouderij in een dergelijk grootschalig heringericht veenweidegebied goed rendabel te maken. Ir. Oene de Jong van de Animal Sciences Group bedacht een concept, waarin vier boeren samenwerken in een bedrijf van on-Nederlandse proporties, met in totaal 2.000 hectare en 1.500 melkkoeien. Het voordeel van dit concept is dat op de best ontwaterde percelen weidegang en voederwinning kan plaatsvinden, terwijl op de slecht ontwaterde percelen energiegewassen worden geteeld, jongvee geweid, of aan natuurbeheer wordt gedaan.
Dr. Pieter Vereijken en Jan van Bakel van Plant Research International komen met een nog radicalere oplossing: moeraswisselteelt. De onderzoekers stellen voor om het door Kwakernaak beschreven inversielandschap gewoon door te laten groeien. De laaggelegen landbouwkavels die zo ontstaan vormen tegen de tijd dat de landbouw helemaal niet meer rendabel is een mooi overloopgebied in tijden van hoogwater - tegen betaling natuurlijk. Het water in die percelen kan in de zomer weer gebruikt worden voor beregening. Vereijken en Van Bakel rekenen uit dat de landbouw zich kan redden als eenderde van de landbouwgrond met regelmaat onder water staat in een moeraswisselteelt, dankzij een combinatie van efficiëntere landbouwtechnieken en betaalde ‘waterdiensten’.

Kuil
Maar wat moeten de boeren doen als hun grond steeds drassiger wordt en de koeien erin wegzakken? Of als het gras dat ze produceren niet meer voor het grootste deel bestaat uit voedzaam, eiwitrijk landbouwgras, zoals het Engels raaigras, maar uit allerlei kruiden en grassen uit de moerasnatuur die ze beheren?
Volgens Joop Verheul, voormalig directeur van proefboerderij Zegveld en onlangs als boer begonnen in het veenweidegebied, hoeven de boeren in het veenweidegebied niet bang te zijn voor de inferieure kwaliteit van het gras uit de door hen beheerde natuurgebieden. Als de kruiden en grassen uit de natuur op een goede manier worden vermengd met het landbouwgras, dan kan hij een derde deel natuurgras gebruiken. 'Misschien wel meer', zei Verheul tijdens de conferentie in Zegveld. 'Concentreer je op de smakelijkheid', adviseerde hij melkveehouders.

Mollendrains
Ook aan het wegzakken van de koeien wordt gewerkt. Onderzoekers van het proefbedrijf hebben in de afgelopen jaren geëxperimenteerd met zogenaamde mollendrains in de veenweide. Door in de landbouwgrond drains te leggen als waren het mollengangen, wordt de waterafvoer in de natte wintermaanden verbeterd, wat de grond begaanbaarder maakt. De drains zorgen in de zomer voor een toevoer van water, zodat de verdroging en de daardoor veroorzaakte inklinking van de veenbodem wordt tegen gegaan.
Zowel in futuristische vergezichten als in de zoektocht naar praktische oplossingen lijken de onderzoekers van Wageningen UR te geloven in een rol voor de veenweideboer. De boer moet zich dan wel schikken naar het door grondwaterstanden geregeerde landschap en niet meer domweg zijn landbouwgrond droogpompen. Met nieuwe landbouwtechnieken voor de dagelijkse bedrijfsvoering, een op het waterbeheer uitgekiende ruimtelijke inrichting en een open oog voor de waterdiensten die in de toekomst te leveren zijn is er voor de veenweideboeren nog hoop. Steun en begeleiding vanuit overheid en wetenschap lijkt onontbeerlijk. En dat is weer een onderzoeksmarkt voor Wageningen UR.

Martin Woestenburg