Wetenschap - 1 januari 1970

Bodembehoud zinloos zonder goede wegen

Om boeren aan te zetten tot bodem- en waterconservering wordt vaak gebruik gemaakt van stimuleringsregelingen. In de Andes blijken die niet te werken, als de boer niet ook op de lange termijn iets heeft aan de aanleg van een terras.

Op korte termijn zijn investeringen in het behoud van de bodem vaak niet rendabel voor boeren. Overheden geven daarom vaak incentives om boeren te stimuleren toch te investeren in het behoud van bodem en water. Zo’n ‘aansporing’ kan direct zijn, bijvoorbeeld voedselhulp of subsidie voor boeren die een terras aanleggen. Maar het kan ook op een meer indirecte manier, door bijvoorbeeld zekerheid te geven over landeigendom. Daardoor zijn boeren eerder geneigd te investeren in de vruchtbaarheid van hun land op de langere termijn.
Ook in de Andes in Peru probeert de overheid boeren over te halen te investeren in terrassen. Dr. Helena Posthumus onderzocht de reden waarom boeren wel of niet meewerken aan dergelijke overheidsprogramma’s. Ze vergeleek daarvoor onder andere de opbrengst van eigen arbeid die boeren moeten steken in het aanleggen van een terras met de opbrengst van die arbeid buiten de landbouw.
Als een terras eenmaal aangelegd is, levert het land meer op omdat water en nutriënten beter behouden blijven. Maar de meerwaarde van die opbrengstverhoging weegt vaak niet op tegen de hoeveelheid arbeid die de boer moet steken in de aanleg van het terras. Als de boer dezelfde hoeveelheid uren zou werken buiten de landbouw, zou hem dat veel meer opleveren. Zelfs als de overheid incentives geeft, bijvoorbeeld een subsidie voor de aanleg van een terras, weegt dat vaak niet op tegen de weinig rendabele inzet van arbeid.
Wat bovendien meespeelt, is het functioneren van de markt voor de producten van de boeren. In een gebied met goede wegen kunnen de producten goed vervoerd worden. Dan heeft het zin om meer te produceren, en heeft het dus ook zin om terrassen aan te leggen. Een ander gebied dat Posthumus onderzocht heeft slechte wegen. Boeren die daar een terras hebben, kunnen in principe meer gaan produceren omdat hun land vruchtbaarder is. Maar dat doen ze niet omdat ze hun maïs toch niet kunnen verkopen. In plaats daarvan gaan ze minder op het land werken. Hun arbeidsproductiviteit was wel gestegen, maar de vraag naar maïs niet.
Helena Posthumus concludeert dat bij het stimuleren van de conservering van bodem en water vooral rekening gehouden moet worden met het functioneren van lokale markten. Kunnen boeren hun product niet kwijt, of kunnen ze ergens anders met hun arbeid meer verdienen, dan zullen ook stimuleringsmaatregelen boeren niet aanzetten tot het aanleggen van terrassen. Subsidie kunnen er dan zelfs voor zorgen dat boeren wel terrassen gaan aanleggen, vanwege de premie, maar die vervolgens niet optimaal gebruiken. JT

Re:ageer