Wetenschap - 14 februari 2008

Bladluismummies tonen kwaliteit plant

De kwaliteit van planten heeft invloed op tenminste drie niveaus van het voedselweb. ‘Of bladluizen op spruitkool of op verwilderde kool zitten, bepaalt het hele wie-eet-wievervolg en ook de structuur van de bovenliggende voedselrelaties’, aldus entomoloog dr. Tibor Bukovinszky, die hierover samen met Londense en Wageningse collega’s publiceerde in Science van vrijdag 8 februari.

De sluipwesp <em>Asaphes vulgaris</em>.
De sluipwesp Asaphes vulgaris.

Foto: Tibor Bukovinszky, www.bugsinthepicture.com

‘We houden ons bezig met basale ecologische vragen: wie eet wie en hoe vaak? Het mooie is dat we daar nu antwoorden op hebben gevonden voor een vrij compleet voedselweb van koolplanten, bladluizen en parasiterende sluipwespen’, vertelt Bukovinszky, die als postdoc bij de leerstoelgroep Entomologie werkt. Het ging om een web van negentien soorten: twee soorten kool, twee soorten bladluizen, vijf soorten sluipwespen die op deze bladluizen parasiteren en tien soorten secundaire sluipwespen of hyperparasieten.
Bukovinszky: ‘De grootte van de bladluizen gebruiken we als maat voor de kwaliteit. Gelukkig blijf het omhulsel – de mummie – ook achter als een sluipwesp een larve in zo’n bladluis heeft gelegd. Via de mummies kunnen we zo de kwaliteit van meerdere treden in het voedselweb meten.’ Een methode die is ontwikkeld door ecologen van Imperial College in Londen, die ook in dit experiment participeerden.
Op 24 proefveldjes werden gedomesticeerde spruitkoolplanten en verwilderde koolplanten uitgezet. De bladluizen groeiden beter op de verwilderde kool; de dichtheden waren ruim drie keer zo groot als op een spruitkoolplant en de bladluizen waren gemiddeld groter. ‘Zo vreemd is het niet. We hebben spruitkool immers niet veredeld om er bladluizen mee te voeden’, aldus Bukovinszky.
De grootte en dichtheid van de bladluizen hebben vervolgens effect op de vijf soorten sluipwespen. Deze primaire parasieten leggen bij voorkeur hun eieren in grote bladluizen. Naarmate de daaruit voortkomende mummies groter zijn, blijken ze bovendien aantrekkelijker voor secundaire sluipwespen. ‘Deze hyperparasieten leggen hun eieren het liefst in primaire sluipwespen die in grote bladluizen zitten. Bovendien zorgen ze ervoor dat er vaker dochters in grote mummies terechtkomen. Slim, want grote dochters leveren uiteindelijk meer kleinkinderen op’, aldus Bukovinszky.
Het betekent volgens hem dat de secundaire parasieten echt kiezen. ‘Ze bepalen op het moment dat ze eitjes leggen het geslacht van hun kinderen en maken dan blijkbaar ook een inschatting van de kwaliteit van de gastheer. Zo kan het gedrag van individuen de structuur van een heel voedselweb bepalen.’ In vervolgonderzoek wil Bukovinszky dit soort gedragskeuzes nader onderzoeken.
Het gepubliceerde onderzoek werd gefinancierd door de Nederlandse onderzoeksorganisatie NWO en het Britse Natural Environment Research Council.

Re:ageer