Wetenschap - 1 januari 1970

‘Biotechnologie is meestal alleen geschikt voor de Flevopolders’

‘Biotechnologie is meestal alleen geschikt voor de Flevopolders’

‘Biotechnologie is meestal alleen geschikt voor de Flevopolders’


Netwerken ontwikkelen biotechtoepassingen voor marginale landbouw

Toepassingen van moderne biotechnologie slaan vaak volledig de plank mis in
arme gebieden met een marginale landbouw. Wageningse onderzoekers werken
daarom nu samen onderzoekers in zich ontwikkelende landen om een radicaal
andere vorm van biotechnologie te introduceren die wordt gestuurd vanuit
netwerken. De westerse bijdrage is bescheiden: ‘de lokale onderzoekers
ontwikkelen de technologie en beslissen wat goed of slecht is.

Een gemodificeerde bacterie, die van cellulosehoudende afvalstoffen uit de
landbouw grondstoffen voor nylon kan maken. Hij kwam ter sprake op het
meest recente symposium over genomics. Net als dr Guido Ruivenkamp.
,,Vernuftig’’, oordeelt Ruivenkamp van de leerstoelgroep Technologie en
agrarische ontwikkeling, ,,Maar het is ook weer een voorbeeld dat laat zien
wat er mis is met de moderne biotechnologie.’’
De E.coli-bacterie die de onderzoekers als uitgangsorganisme hebben
gebruikt was waarschijnlijk al gepatenteerd. Het organisme was bovendien
aangepast om te functioneren binnen processen, installaties en technologie
die al bestaan in het bedrijf dat de ontwikkeling ervan heeft bekostigd.
Daardoor is het niet mogelijk de bacterie te gebruiken in bijvoorbeeld de
kleinschalige bioreactoren in een Indiase provinciestad.
Het maken van dit soort keuzes bij de ontwikkeling van biotechnologie is
niet alleen een euvel van genomics, maar bij alle biotechnologie.
,,Biotechnologie wordt ontwikkeld voor een landbouw die je vindt in de
Verenigde Staten of de Flevopolders’’, zegt Ruivenkamp. ,,De arme gebieden
met zijn ‘marginale’ landbouw, kunnen er echter niets mee. Onder de
omstandigheden daar werkt die technologie niet. Daarom is de Groene
Revolutie in Afrika mislukt. Daarom lijden achthonderd miljoen mensen
honger, ondanks alle vooruitgang.’’
Die onbelichte eenzijdigheid van biotechnologie is al sinds de oprichting
het werkveld van Ruivenkamps groep, al is de insteek wel veranderd.
,,Vroeger legden we vooral de vinger op de zere plek. We wilden aangeven
waar het fout ging. Tegenwoordig denken we mee. We willen laten zien hoe
het anders kan.’’

Noodgedwongen

Dat gebeurt bijvoorbeeld in het door DGIS en INREF gesponsorde project
Tailormade Biotechnologies for Endogenous Development, dat Ruivenkamp samen
met ir Inge Dijkslag en ir Jantina de Vries coördineert. In het project
werkt de leerstoelgroep samen met onderzoekers in landen als India,
Brazilië en Cuba, die daar alternatieve vormen van biotechnologie
ontwikkelen. De Vries heeft een tijd in Cuba gezeten, en gezien hoe daar
een systeem van 220 kleinschalige laboratoria voor de landbouw
biobestrijdingsmiddelen heeft ontwikkeld.
,,Die laboratoria heten CREE’s’’, zegt De Vries. ,,In elke regio zit er
één. Omdat Cuba door de handelsblokkade van de VS moeilijk olie of andere
grondstoffen kan importeren, hebben de CREE’s bijvoorbeeld noodgedwongen
alternatieve bio-insecticiden moeten ontwikkelen.’’ De laboratoria hebben
van lokale stammen van de bacterie Bacillus thuringiensis uit de bodem
bepaald of ze potentie hadden, en de meest effectieve grootschalig
geproduceerd. Boeren spuiten die over hun gewassen.
Onderzoekers in India doen hetzelfde. In de Indiase deelstaat Andra Pradesh
fermenteren kleinschalige laboratoria bacteriën zodat de actieve stoffen
vrijkomen.
De Cubaanse en Indiase methoden zijn eigenlijk low tech-versies van wat
Monsanto met zijn Bt-maïs en -katoen heeft gedaan. De ingenieurs van het
biotechbedrijf gebruikten genen van de Bacillus thuringiensis om gewassen
resistent te maken tegen insecten.
Het uitwisselen van kennis over dit soort alternatieve technologieën is het
doel van het Tailormade-project. ,,In India alleen zijn er zo’n zestig
netwerken die biotechnologie in ontwikkelen’’, zegt Ruivenkamp. ,,In andere
landen zijn het er meestal minder. In het project brengen we sleutelfiguren
in die processen met elkaar in contact, en geven we ze de kans van elkaar
te leren of samen te werken.’’
De netwerken die het project bij elkaar houden met elkaar gemeen dat ze
technologie ontwikkelen in samenspraak met de gebruikers. ,,In de gangbare
biotechnologie ontwikkelt een concern iets nieuws, en worden de gebruikers
vervolgens ‘geïnformeerd’. Als dan blijkt dat de boeren er niet aan willen,
of dat de consument de technologie niet accepteert, dan heeft het concern
geen andere keus dan de technologie maar te laten vallen, en miljoenen aan
research weg te gooien. In deze netwerken spelen de gebruikers een actiever
rol. Ze geven zelf aan met welke problemen ze kampen, en welke
biotechnologie die kan oplossen.’’
Dat gebeurde bijvoorbeeld een maand geleden in de Keniase universiteitsstad
Kisumu. Op die bijeenkomst stelden de deelnemers onder meer vast aan welk
soort technologie ze behoefte hadden: nieuwe methoden voor de weefselkweek
van bananen en cassave, en slimme schimmel- en bacteriecultures die de
bodemkwaliteit verhogen. ,,Je moet dan denken aan organismen die de
beschikbaarheid van micronutriënten verhogen of plantengroeihormonen
aanmaken’’, zegt De Vries. ,,Of schimmels die niet schadelijk zijn voor
planten, maar andere schimmels wegconcurreren die dat wel zijn.’’

Boerenkennis
De netwerken maken een biotechnologie die radicaal verschilt met de
biotechnologie die tot nu toe de aardbol heeft gedomineerd, zegt
Ruivenkamp. ,,In de geschiedenis van de biotechnologie in de
voedselproductie zie je een grote rode lijn. De technologie neemt, in de
vorm van biotechnologische producten, steeds meer functies over van de
boer.’’
Wat eerst op het bedrijf ontstond, verandert in iets waarvoor de boer moet
betalen. Kunstmest vervangt mest van landbouwdieren, zaden van
veredelingsbedrijven vervangen zaden die het bedrijf zelf produceert, en de
adviezen van voorlichters vervangen de boerenkennis. Langzaam maar zeker,
met elke stap waarmee de technologie voortschrijdt, verliest de boer de
grip op zijn bedrijf en groeit zijn afhankelijkheid van de markt.
,,In de lokaal ontwikkelde biotechnologieën zie je iets totaal anders, zegt
Ruivenkamp. ,,De boeren gebruiken technologie, zonder dat ze daarvoor
functies uit handen geven. Zijzelf blijven de controle behouden, door
biotechnologie die in het Westen misschien ouderwets aandoet, maar ook bij
geavanceerde genomicstoepassingen. We horen van onderzoekers uit India dat
zij organismen modificeren en zich daarbij direct laten sturen door de
toekomstige gebruikers.’’
Er is ruimte voor andere Wageningse groepen om in het project te
participeren, zegt Ruivenkamp. ,,In de kenniseenheden is kennis aanwezig
waarmee biotechnologie kan aansluiten bij de behoeften van arme boeren, en
misschien kunnen het IAC en het Noord-Zuid Centrum een ondersteunende rol
vervullen. Ons uitgangspunt is dat we ons bescheiden opstellen. Wij gaan
niet beslissen wat goed of slecht is. Dat doen de lokale onderzoekers. Zij
ontwikkelen de technologie. Wij stellen ze daartoe in staat en
reflecteren.’’
Willem Koert

Meer informatie over het project van Technologie en Agrarische Ontwikkeling
staat op http://quickplace.wau.nl/tailormadebiotechnologies.

Fotobijschrift:
Dr Guido Ruivenkamp: ,,Vroeger legden we vooral de vinger op de zere plek.
Tegenwoordig laten zien hoe het anders kan.’’

Re:ageer