Wetenschap - 27 juni 2016

Beweegprogramma in buurt bereikt laagopgeleiden

tekst:
Anja Janssen

Buurtgerichte beweegprogramma’s bereiken de sociaal kwetsbare groepen waarvoor ze bedoeld zijn. En doorlopende programma’s werken beter dan korte. Die conclusies trekt Marion Herens in haar proefschrift. Ze promoveert op 23 juni bij Maria Koelen, hoogleraar Gezondheid en maatschappij.

In totaal volgde Herens gedurende anderhalf jaar 270 mensen uit 19 beweeggroepen in Amsterdam, Den Haag, Rotterdam, Tilburg, Helmond, Hengelo en Enschede. ‘Twee derde heeft een niet-Nederlandse achtergrond ‒ met 29 verschillende herkomstlanden ‒ de helft heeft alleen basisschool gedaan en iets minder dan de helft heeft een laag inkomen’, somt Herens de kenmerken op van de deelnemers aan de door haar onderzochte beweegprogramma’s.

Gezondheidsverschillen
Buurtgerichte beweegprogramma’s zijn onder meer bedoeld om gezondheidsverschillen tussen mensen uit hoge en lage sociaal-economische groepen terug te dringen. Het idee daarbij was dat mensen met een lage sociaal-economische status minder bewegen dan de gemiddelde Nederlander. ‘Maar daar heb ik geen bewijs voor kunnen vinden’, zegt Herens. ‘Kennelijk hebben de mensen die hier op af komen – de deelname is vrijwillig – al iets met bewegen of sport. Het blijft dus wel een vraag of je met beweegprogramma’s ook de minder actieve mensen weet te bereiken.’

Een andere opvallende vinding was dat de deelnemers niet méér gaan bewegen door aan een beweegprogramma mee te doen. Wel vond Herens dat de mensen die meer bewogen in hun vrije tijd – zoals in de beweeglessen – zich gezonder voelden en meer plezier hadden in het bewegen dan de mensen die niet meer meededen met het beweegprogramma. De afhakers bleken na een jaar ook meer gezondheidsklachten en een hogere BMI te hebben dan de volhouders.

Verder scoorden de mensen die meededen aan korte trajecten van tien tot twaalf weken na een jaar slechter dan de deelnemers aan blijvende programma’s, constateert Herens. ‘Het idee is vaak: je moet ze op gang helpen en als ze eenmaal in beweging zijn, dan blijven ze bewegen. Maar zo werkt het niet voor deze groep. Deze mensen stromen niet door naar het reguliere sportaanbod in de buurt.’

Groepslessen
Specifiek voor vrouwen van niet-westerse herkomst achterhaalde Herens de factoren die maken dat ze naar de groepslessen blijven komen. ‘Uit de vraaggesprekken die ik hierover heb gevoerd, kwamen individuele factoren naar voren, zoals dat hun lijf soepeler wordt, ze minder pijn hebben, en zich fitter en energieker voelen. Daarnaast vinden ze het heel belangrijk dat ze het fijn hebben in de groep: dus het elkaar helpen, het samen leren en het plezier hebben. Een competente en responsieve beweegleider speelt daarbij een sleutelrol.’

Mede door die gesprekken ontdekte Herens ook dat deze sociaal kwetsbaren helemaal niet zo moeilijk bereikbaar zijn als vaak wordt beweerd. ‘Ze zijn wel degelijk te bereiken, als je jezelf maar zichtbaar maakt voor hen en je persoonlijk betrokken maakt. Dat kost veel tijd, maar dan krijg je een schat aan informatie.’


Re:ageer