Wetenschap - 11 november 2016

Belangengroepen winkelen selectief in soja-onderzoek

tekst:
Albert Sikkema

Stijgt de import van soja in Nederland voor de productie van veevoer? Ja, zegt Milieudefensie, die zich baseert op een WUR-rapport. Nee, zegt de organisatie van veevoerfabrikanten, het aandeel regionaal veevoer is juist hoog. Wat zegt het rapport? De waarheid ligt in het midden.

De soja-import voor veevoer in Nederland is in 2015 sterk toegenomen. Daarmee maakt de veevoersector haar belofte niet waar om de soja-import te beperken en meer veevoer uit Europa te halen, stelde Milieudefensie gisteren in een persbericht. Ze dringt bij de regering aan op een importheffing op soja uit landen als Brazilië, zodat de soja-import daalt ten behoeve van het regenwoud. Milieudefensie baseert zich op Wagenings onderzoek. Sterker nog: ze is opdrachtgever van dat onderzoek.

Het gaat om de notitie ‘Het percentage regionaal eiwit in het Nederlands mengvoerrantsoen’ van de WUR-onderzoekers Anouk Cormont en Marinus van Krimpen. Uit hun rapport blijkt dat de Nederlandse veevoerindustrie in 2014 1170 miljoen kilo soja heeft ingevoerd en een jaar later 1339 miljoen kilo soja. Dat is een stijging van 15 procent. Milieudefensie heeft gelijk, maar zegt er niet bij dat de import door de jaren heen nogal schommelt. In 2011 kwam er 1240 miljoen kilo soja de Rotterdamse haven binnen, in 2013 maar liefst 1383 miljoen kilo. Je kunt dus niet spreken van een toename van de soja-import, zoals Milieudefensie in haar persbericht suggereert.

Onvolledig
Nevedi, de vereniging van veevoerfabrikanten in Nederland, vindt daarom dat Milieudefensie een ‘onvolledig’ verhaal vertelt. De fabrikanten willen geen extra regels of heffingen voor de import van soja, maar vinden ook dat ze de afgelopen jaren al veel hebben gedaan om het aandeel soja in hun veevoer te verminderen. Dus komen ze vandaag in een persbericht met een eigen rekensom. Samenvattend luidt die dat zeventig procent van de eiwitten in veevoer al uit Europa komt.

Dat hoge percentage is politiek van belang, want de veevoerfabrikanten hebben in 2011 een afspraak gemaakt in het ‘Verbond van Den Bosch’ om de Nederlandse veehouderij duurzamer te maken. Toen is afgesproken om het aandeel ‘regionaal eiwit’, ofwel voer uit Nederland en omringende landen, te verhogen van 27 procent in 2011 naar 50 procent in 2020. Vandaag stelt de Nevedi tevreden vast dat ze dat doel al heeft gehaald.

Fluctueren
De cijfers in het Wageningse onderzoek wijzen iets anders uit. De onderzoekers stellen vast dat het gebruik van lokaal geproduceerd eiwit in het veevoer de afgelopen jaren fluctueerde. Het percentage lokaal eiwit bedroeg in 2011 50 procent, in 2013 45 procent, in 2014 48 procent en in 2015 45 procent. Deze fluctuatie ligt voor de hand, omdat de soja-import uit Latijns-Amerika in deze jaren immers ook fluctueerde. De cijfers maken duidelijk dat de veevoerindustrie de beloofde 50 procent nog net niet heeft gehaald.

In hun onderzoek rekenen de Wageningse onderzoekers met mengvoeders, ofwel eiwitrijke grondstoffen met meer dan 157 gram ruw eiwit per kilo voer. Het Nevedi telt, om op de 70 procent regionaal geproduceerd veevoer te komen, ook de eiwit-armere grondstoffen mee, zoals ruwvoer en gras. Zonder dat ruwvoer en gras komt de vereniging van veevoerproducenten uit op 61 procent eiwitrijk veevoer uit de regio, dus ruim 10 procent hoger dan het Wageningse onderzoek.

Grondstoffen
Hoe ontstaat dit verschil? Het Nevedi rekent met veel meer grondstoffen dan het Wagenings onderzoek. De Wageningse studie gebruikt de 17 belangrijkste grondstoffen om tot haar berekening te komen. Nevedi meldt dat de Nederlandse veevoerindustrie maar liefst 300 verschillende soorten grondstoffen gebruikt. Dan moet je bijvoorbeeld denken aan afvalproducten uit de levensmiddelenindustrie, zoals gries dat ontstaat bij de productie van broodmeel en pasta, bierbostel dat overblijft bij het bierbouwproces, tarwegistconcentraat wat overblijft bij de productie van graanalcohol en DDGS als co-product uit de bio-ethanolindustrie. De WUR neemt de laatstgenoemde grondstoffen niet mee, omdat die niet in het mengvoer terechtkomen, en daar richtte de studie zich op.

Daar komt bij dat je de 61 procent van Nevedi niet kunt afzetten tegen de cijfers van 2011 en 2013 uit het WUR-onderzoek. En dat doet Nevedi wijselijk ook niet. Ze staaft niet met cijfers dat het aandeel regionaal geproduceerd veevoer de afgelopen jaren is gestegen. Conclusie: zonder nieuwe meerjarige cijfers klopt de teneur van de Wageningse studie. Het aandeel lokaal geproduceerd veevoer stijgt niet, maar daalt ook niet.


Re:ageer