Wetenschap - 18 november 2014

Beer zonder berengeur fokken

tekst:
Albert Sikkema

Het vlees van ongecastreerde beren kan een feromoon bevatten dat prettig is voor jonge zeugen maar gaat stinken bij de bereiding van het varkensvlees. Promovendus Naomi Duijvesteijn onderzocht de erfelijkheid van deze berengeur en selecteerde genen voor een fokprogramma voor beren zonder berengeur.

Per 2018 is het castreren van beren in de varkenshouderij verboden. De varkenshouders anticiperen hier al op en daarom komt er steeds meer vlees van ongecastreerde beren op de markt. Zo’n 4 procent van die beren zijn ‘stinkers’: ze hebben onder andere hoge waarden van het seksferomoon androstenon in hun lichaam dat gaat stinken als het varkensvlees wordt gebraden. Controleurs met een goede neus en een soldeerbout halen die stinkers er aan de slachtlijn uit.

De berengeur is voor 60 procent genetisch bepaald en daarom zocht Duijvesteijn in het DNA van duizend beren naar de genen die de productie van androstenon in het varken beïnvloeden. Dat deed ze door 60.000 SNP’s – variaties in het DNA – te koppelen aan het androstenon-gehalte. Zo vond ze een aantal mogelijke genenpakketjes die significant de berengeur beïnvloeden. Die SNP’s zijn gebruikt in het fokprogramma van Topigs Norsvin, die nu varkenssperma op de markt heeft gebracht dat minstens 40 procent minder stinkers geeft aan de slachtlijn.

Maar naast de 60 procent die bepaald wordt door de eigen genen van het varken, wordt 12 procent van de berengeur bepaald door de genen van de hokgenoten. Het sociale gedrag van de andere varkens in het hok, dat waarschijnlijk verband houdt met genen voor dominantie en sociale hiërarchie, heeft invloed op het androstenon-gehalte bij een beer. ‘Voorbeeld: als één beer in het hok gaat stinken om een zeug aan te trekken, dan gaan er vaak meer beren stinken’, zegt Duijvesteijn.

Ook dit ‘indirecte genetische effect’ van berengeur heeft ze aan specifieke genen van de varkens weten te koppelen. Ze spelen nog geen rol in het fokprogramma van Topigs Norsvin, maar de promovendus verwacht er veel van. ‘Niet alleen bij berengeur speelt het groepsgedrag van varkens een rol, ook bij staartbijten onder varkens en bij verenpikken in koppels leghennen. Veel welzijnsproblemen in de veehouderij zijn een combinatie van directe genetische aanleg en genetische aanleg om de hokgenoten te beïnvloeden. Beide aspecten willen we meenemen in ons fokprogramma.’

Naomi Duijvesteijn promoveert op 21 november bij Johan van Arendonk, hoogleraar Fokkerij en Genetica


Re:ageer