Organisatie - 28 mei 2009

BIJENSTERFTE

Met enige regelmaat komt in de media het onderwerp bijensterfte terug. Opvallend is de stelligheid waarmee sommige wetenschappers de mogelijke oorzaak beschrijven. In Resource 27 van 14 mei bijvoorbeeld, kent Tjeerd Blacquière van Bijen@wur slechts één boosdoener: de door imkers slecht bestreden varroamijt.
Vanuit de historische achtergrond van het onderzoek van Bijen@wur, opvolger van het Proefstation voor de Bijenteelt in Hilvarenbeek, is dat misschien een begrijpelijke uitspraak. Toen in 1984 de varroamijt Nederland bereikte, hebben de medewerkers van het proefstation de voorlichting en bestrijding van deze parasiet opgepakt. Het onderzoek heeft geresulteerd in een biotechnische methode waarmee het aantal mijten met succes kan worden teruggebracht. Bijen@wur heeft dus recht van spreken als het de varroamijt aanwijst als boosdoener. Blacquière staat daarin niet alleen. Ons is geen onderzoeker bekend die deze parasiet niet relateert aan bijensterfte. De centrale vraag is of deze alleen de sterfte verklaart, of dat bij de toegenomen sterfte sinds 2000 – die een ander karakter vertoont dan in de voorgaande twee decennia en aangeduid wordt als ‘verdwijnziekte’ – ook andere determinanten betrokken zijn.
Wat ons, het bestuur van het Nederlands Centrum voor Bijenonderzoek, nu verbaast is de stelligheid waarmee Blacquière steeds weer beweert dat de varroamijt en de onzorgvuldige bestrijding ervan door imkers dé oorzaken zijn van de huidige bijensterfte. Op de eerste plaats schoffeert hij met deze uitspraak imkers die een goede bestrijding uitvoeren en toch getroffen worden door bijensterfte. Op de tweede plaats negeert hij hiermee volkomen de resultaten van Nederlands en internationaal onderzoek. Daaruit blijkt overduidelijk dat er naast de varroamijt meerdere verklaringen voor de bijensterfte zijn zoals schimmels, virussen en verarming van de bijenweide. De zelfverzekerdheid van de Wageningse onderzoeker en bijendeskundige verbaast ons ook omdat de grondhouding van een wetenschapper toch zou moeten zijn ‘onzekerheid’ en de bereidheid tot falsificatie van de eigen onderzoeksresultaten.
Temeer geldt dit voor Blacquière, omdat hij goed bekend is met de resultaten van door het NCB in 2008 verricht onderzoek. Daaruit bleek dat er binnen Nederland grote regionale verschillen bestaan in de omvang van de bijensterfte. Deze verschillen bleven bestaan wanneer we groepen imkers vergeleken die de varroamijt met dezelfde middelen en in dezelfde periode van het jaar hadden bestreden. Wij concludeerden dat de varroamijt de huidige sterfte onvoldoende verklaart en dat andere parasieten een belangrijke rol speelden, en vestigden de aandacht op de nieuwe parasiet Nosema ceranae, waarvan wij de aanwezigheid in 2007 in Nederland aantoonden. Deze schadelijke microsporied, die in 2006 in Europese bijenvolken werd ontdekt, is inmiddels in ruim tachtig procent van de Nederlandse volken gearriveerd en bleek in ons veldonderzoek te relateren aan bijensterfte.
Blacquière karikaturiseert in het betreffende artikel in Resource deze parasiet als ‘een geheimzinnige ziekte’, en diskwalificeert onderzoekers die de schadelijkheid van deze parasiet beschrijven als ‘zelfbenoemde onderzoekers en goeroes’. Zo ontkent hij de complexiteit van het probleem. Van hem mag echter verwacht worden dat hij feiten produceert, die zijn monocausale verklaring rechtvaardigen.

Re:ageer