Wetenschap - 13 november 2008

BETERE TESTS HORMOONEFFECTEN IN VIS

De Nederlandse autoriteiten kunnen de schadelijke effecten van hormoonverstorende stoffen op vissen nauwkeuriger laten bepalen dan nu het geval is. Dat blijkt uit onderzoek van toxicoloog dr.Rinus Bogers. Hij onderzocht vijftien markers die het nadelige effect van bijvoorbeeld pseudo-oestrogenen uit de pil of alkylfenolen uit kunststof kunnen voorspellen.
Bogers stelde vissen vanaf het ei-stadium tot aan het volwassen stadium bloot aan hormonen en beoordeelde de invloed daarvan na dertig, zestig en ruim honderd dagen. Met verschillende markers bepaalde hij of deze hormonen door de oestrogene receptorcellen in de lever van de vissen werden opgenomen. Het eiwit vitellogenine (VTG), dat wordt aangemaakt in de lever van vissen, is een bekend indicator om de hormoonverstoring te meten.
Deze marker bleek echter het meest gevoelig in kortdurende testen met mannelijke vissen die blootstaan aan pseudo-oestrogene stoffen. In andere testen en voor pseudo-androgene stoffen bleken andere markers beter toepasbaar. Zo bleek dat de aanhechting van de geslachtsorganen tijdens de groei van de vissen onherstelbaar wordt beschadigd onder invloed van een androgene hormoonverstoorder. Bogers gebruikte methyldihydrotestosteron (MDHT), een groeihormoon dat onder bodybuilders in zwang is als spierversterkend middel. Het geslachtsorgaan van vissen zit in het vroege larvale stadia via een dubbele aanhechting vast aan het buikvlies. Tijdens de groei wordt die dubbele aanhechting bij de mannetjes samengevoegd tot een enkele, maar onder invloed van kunstmatig testosteron gebeurt dat niet. Deze afwijking is onomkeerbaar. ‘Dit is dus een hele gevoelige marker om het hormoonverstorend effect vast te stellen, ook wanneer de blootstelling aan hormoonverstorende stoffen slechts periodiek is’, zegt Bogers.
De huidige standaard testmethoden zijn onvoldoende om het effect van hormoonverstorende stoffen te screenen, is de conclusie van Bogers. ‘De opzet van de testmethode zou meer gericht moeten zijn op het mechanisme van de verstoring en de daaraan gekoppelde, meest geschikte marker. Op basis van mijn resultaten kunnen de regelgevers meer specifieke testmethodes gaan voorschrijven aan de industrie.’
Bogers, die zijn onderzoek verrichtte bij het laboratoriumbedrijf NOTOX, is intussen een eigen bedrijf begonnen om de industrie hierbij te ondersteunen. ‘Dit soort studies worden op dit moment nog niet standaard door overheden gevraagd’, zegt hij. ‘Maar ik verwacht dat dit in de nabije toekomst gaat gebeuren.’ / Albert Sikkema


Rinus Bogers is op 12 november ¬gepromoveerd bij prof. Ivonne Rietjens en prof. Tinka Murk, hoogleraren Toxi¬cologie.

Re:ageer