Wetenschap - 1 januari 1970

Armste landen zijn niet gebaat bij FAO’s genetische optimisme

Wat de arme landen nodig hebben is biotechnologie. Dat zegt de wereldvoedselorganisatie FAO in het optimistische rapport ‘Meeting the needs of the poor’. Aan technologiesocioloog dr Guido Ruivenkamp en zijn cursisten uit de derde wereld is dat optimisme niet besteed. ,,Wat moet je met een genetische revolutie in landen waar de groene revolutie ook niet is aangeslagen?’’

Dankzij gewassen die niet meer ziek kunnen worden, bestand zijn tegen plagen en meer voedingsstoffen bevatten, kan de wereld de strijd tegen de honger winnen, zegt ‘Meeting the needs of the poor’. Bedrijven en publieke instellingen moeten de handen ineenslaan om die gewassen te ontwikkelen en het gekissebis over de voors en tegens achter zich laten. Die discussie leidt de aandacht alleen maar af van de werkelijke problemen.
Goed, er kleven nadelen aan gentechnologie, erkent het rapport. Maar biotechnologie is meer dan alleen gentechnologie. Er zijn nog vele andere vormen van biotechnologie, zoals genomics. En ook gentechnologie heeft zijn voordelen. Het is in ieder geval verkeerd om biotechnologie op zichzelf als verkeerd te bestempelen. Dat is ze alleen als wetenschappers haar verkeerd gebruiken. Per geval zullen de technologen de voor- en nadelen tegen elkaar moeten afwegen. En aan de slag moeten. Zo snel mogelijk, want er is geen tijd te verliezen.
Dat is in een notendop de boodschap van ‘Meeting the needs of the poor’. Toen het rapport verscheen, gaf technologiesocioloog Guido Ruivenkamp van de leerstoelgroep Technologie en Agrarische Ontwikkeling (TAO) een tweeweekse cursus op het IAC. Samen met zijn cursisten, voornamelijk agrotechnologen van overheden en instituten uit Afrika en Azië, heeft Ruivenkamp het rapport bestudeerd. Eén van hen is Frederick Omukubi Otswong’o. Hij werkt als expert op het gebied van patenten bij het Kenya Industrial Property Institute.
,,Het rapport begint met beloften en verleidelijke perspectieven’’, zegt hij. ,,Maar als je het uit hebt, blijft er van die beloften weinig over en rest er alleen teleurstelling. In het verleden hadden we al de Green Revolution, zegt het rapport. Nu is het tijd voor de Gene Revolution. Het is een mooie slogan, maar als de Groene Revolutie in de armste landen al mislukte, hoe zou de genetische revolutie daar dan wel moeten slagen?’’

Computerspel
Het FAO-rapport doet denken aan een vriendelijke grootmoeder die haar kleinkind verrast met een prijzig computerspel. Het is goed bedoeld, maar oma vergeet dat het aftandse PC-tje van het kleinkind niet geschikt is voor haar geavanceerde computerspel. Daarom zijn in het verleden al zoveel wondergewassen mislukt in arme landen, zegt Ruivenkamp. ,,De genetische gewassen die tot dusver zijn ontwikkeld doen het goed in de grootschalige, geïndustrialiseerde landbouw, waarbij het gebruik van kunstmest en bestrijdingsmiddelen geen probleem is. Die landbouw vind je niet in de arme landen waar de Groene Revolutie niet is aangeslagen.’’
,,Wat wij nodig hebben is technologie die past bij onze landbouw’’, zegt cursist John Olatunji Adeoti van het Nigerian Institute of Social and Economic Research. ,,Technologie die door onze mensen is ontwikkeld. Maar die vorm van biotechnologie komt in het FAO-rapport niet aan bod. Het rapport spreekt over een technologie die we moeten importeren, want het gaat er vanuit dat we de nieuwe zaden niet zelf kunnen ontwikkelen, en we ze dus moeten aankopen van de grote bedrijven. Maar als we dat zouden willen, hoe zouden we dat moeten doen? Met welk geld?’’
Ruivenkamp is geen tegenstander van biotechnologie. Hij vindt wel dat de arme landen zelf hun eigen biotechnologie moeten kunnen ontwikkelen, omdat geïmporteerde technologie gedoemd is te mislukken. Een biotechnologie die het goed doet in Ghana is ontwikkeld door Ghanese onderzoekers, in samenwerking met lokale boeren die de technologie moeten gebruiken en de nukken van hun land en de markt kennen. ,,Die technologie zal misschien niet het high tech-niveau van de companies evenaren, maar hij zal wel naar behoren functioneren’’, zegt Ruivenkamp.

Fuik
,,De agro-industriële bedrijven maken planten resistent tegen insecten door een gen uit een bacterie in het genoom van de plant te plaatsen’’, zegt Ruivenkamp. ,,Het gen maakt een gif waartegen insecten niet bestand zijn. Je kunt de bacterie ook kweken in reactoren, en het gif vervolgens over het gewas sproeien. Het is low tech, maar het is betaalbaar en het werkt.’’
Het FAO-rapport zwijgt echter over dergelijke lokale vormen van biotechnologie, al wijdt het wel enkele alinea’s aan de mogelijkheid om de bestaande agro-industriële gentechnologie aan te passen aan lokale situaties.
,,Het rapport is opgezet als een fuik’’, zegt de Tanzaniaanse Fadhila Hemed Ali van de National Environment Management Counsil. ,,In het begin spreekt het over het meervormige karakter van biotechnologie. Maar al snel wordt steeds duidelijk dat het eigenlijk maar over één soort technologie gaat. De gentechnologie van de Monsanto’s. Als je die zou willen aanpassen heb je hoog opgeleide mensen nodig, apparatuur en laboratoria. En die hebben we niet.’’
De grote bedrijven patenteren hun genetische toevoegingen aan zaden. Dat maakt de ontwikkeling van de lokale biotechnologie er niet eenvoudiger op, vindt Omukubi Otswong’o. ,,Met nuttige genen zou eigenlijk hetzelfde moeten gebeuren als met medicijnen tegen HIV. Voor de arme landen zouden de octrooirechten niet moeten gelden. Daar zouden wij bij gebaat zijn. Het zou de ontwikkeling van onze lokale biotechnologie vergemakkelijken. Maar daarover lees je niets in dit rapport.’’

Optimisme
‘Meeting the needs of the poor’ is een optimistisch rapport dat helemaal past in deze tijd, vindt Ruivenkamp. ,,We leven in een optimistisch tijdvak, waarin we problemen snel en spectaculair willen oplossen. De vraag of dat optimisme is gerechtvaardigd stellen we liever niet meer. Tijd om na te denken over alternatieven gunnen we onszelf niet meer. Die mentaliteit zie ik terug in dit rapport.’’
Van onterecht optimisme kun je Ruivenkamps collega, dr Kees Jansen van TAO, niet beschuldigen. Wat de arme landen nodig hebben, zegt hij, is niet een transnationale injectie met transgene technologie, maar polarisering. ,,Het debat over gentechnologie is nog lang niet gepolariseerd genoeg.’’
,,Ik zeg niet dat ik weet welke kant we met gentechnologie op moeten’’, zegt Jansen. ,,Ik zeg wel dat het verdraaid moeilijk is om daar achter te komen. Dat komt omdat het nooit direct duidelijk is over welke technologie je het precies hebt. Hier en in Groot-Brittannië zijn misschien discussies over gentechnologie gevoerd, maar in de meeste landen niet.’’ Daar zijn de companies met hun producten gewoon binnengewalst. Vragen, zoals die waarover Ruivenkamp en zijn cursisten zich hebben gebogen, zijn niet gesteld. Terwijl dat wel zou moeten, vindt Jansen. Pas in de intellectuele loopgravenoorlog van debatten en speurwerk wordt duidelijk wat zich binnenin het Trojaanse paard van de technologie verborgen houdt.
,,In Brazilië is er bijvoorbeeld wel een lang debat gevoerd over gentechnologie’’, zegt Jansen. ,,Dat heeft er uiteindelijk toe geleid dat er een gentechvrije deelstaat is uitgeroepen.’’ In Rio Grande do Sul waren al in de jaren tachtig netwerken ontstaan van milieugroepen en kleine boeren. Die netwerken verspreidden bijvoorbeeld boeken en organiseerden bijeenkomsten waarop de voors en tegens van gentechnologie aan de orde kwamen.
,,Wat uiteindelijk de mening deed omslaan naar een afwijzing van gentechnologie was het economische argument’’, zegt Jansen. ,,Het ging in Rio Grande do Sul vooral om soja, en de kleine producenten waren op dat moment al het onderspit te delven voor de grote boeren, elders in Brazilië.’’

Ontwrichting
Zulke sociaal-economische aspecten vind je niet terug in de officiële documenten. Ook niet in het FAO-rapport, zegt dr Shuji Hisano, die als visiting research fellow aan TAO is verbonden. Het verslag stelt de sociaal-economische gevolgen van gentechnologie rooskleuriger voor dan ze in werkelijkheid zijn.
,,In de Indiase deelstaat Andra Pradesh maken kleine boeren plaats voor grote bedrijven’’, zegt Hisano. ,,Dat is vlak na de introductie van gentechnologie begonnen. Het rapport negeert dat, en wijst alleen op de stijging van productie, niet op de toename van landloze boeren of op maatschappelijke ontwrichting of armoede onder deze groep. Het FAO-rapport baseert zich alleen op macro-economische gegevens, en daarin zie je de lokale ellende niet terug.’’
Of de kleine boeren in Rio Grande do Sul de dans ontspringen is nog maar de vraag. Het is eveneens onzeker hoe lang het lokale gentechverbod in stand blijft. ,,Het staat onder druk’’, zegt Jansen. ,,In andere deelstaten speelt het vraagstuk ook, en daar zie je hoe de companies zich inspannen om de bevolking te overtuigen. Als gentech mag blijven, dan opent één zo’n bedrijf een fabriek voor bestrijdingsmiddelen. En in Rio Grande do Sul zie je hoe sommige boeren het verbod proberen te ontduiken en vanuit Argentinië gemodificeerde zaden het land in smokkelen. Er zijn aanwijzingen dat de maker van de gentechsoja daarbij een helpende hand toesteekt. Volgens berichten in kranten zijn in de deelstaat voorlichters van de companies actief, die de boeren vertellen hoe ze de zaden moeten gebruiken.’’
‘Meeting the needs of the poor’ presenteert zich als een compromis. Het is een oproep aan de voor- en tegenstanders van biotechnologie om hun tegenstellingen te overstijgen. Aan Ruivenkamp en zijn cursisten is die oproep niet besteed. Want, zegt Ruivenkamp, de tegenstelling die het rapport wil overstijgen, bestaat niet.
,,Hier in het rijke Westen vind je die tegenstelling misschien’’, zegt hij. ,,Hier staan groepen als Greenpeace tegenover de companies. Maar dat is niet de tegenstelling die in de arme landen speelt. Het gaat er niet om of gentechnologie goed of fout is. Het gaat er om dat de high tech gentechnologie van de Monsanto’s fout is.’’ |

Willem Koert

Re:ageer