Organisatie - 2 november 2006

Alternatief onderzoek bereikt boeren wél

Het is heel goed mogelijk om samen met boeren in ontwikkelingslanden innovaties te ontwikkelen via een interactief proces. Dat blijkt uit het onderzoeksprogramma Convergence of Sciences dat vorige week werd afgesloten met elf promoties in Ghana en Benin. Boeren leerden daarbij niet alleen van wetenschappers, onderzoekers leerden ook van boeren. Een belangrijk verschil met eerder participatief onderzoek is aandacht voor de ‘stille aannames’.

Cocoa Research Institute of Ghana heeft flink wat onderzoek gedaan naar de teelt van cacao. Maar de cacaoboeren in Ghana hebben daar bijna niets van gemerkt. Minder dan vier procent van de technische aanbevelingen uit het onderzoek is daadwerkelijk door boeren toegepast. En dat is geen uitzondering. Landbouwonderzoek draagt in praktijk heel weinig bij aan ontwikkeling, omdat de aangedragen oplossingen vaak niet passen bij de situatie waarin boeren in ontwikkelingslanden zitten.
Dat moet en dat kan anders, vonden prof. Niels Röling, prof. Arnold van Huis en dr. Dominique Hounkounou, de initiatiefnemers van het onderzoeksprogramma Convergence of Sciences (CoS). Zes jaar geleden stelden zij samen met collega’s uit Benin, Ghana en Wageningen de principes op van dit INREF-programma, waarin ze op zoek gaan naar een alternatieve en meer effectieve vorm van wetenschap. Boeren zouden meer te zeggen moeten krijgen over het onderwerp van een onderzoek. De wetenschap moet, in andere woorden, gedemocratiseerd worden. Boerenkennis en wetenschappelijke kennis moeten convergeren, samengaan op gelijke voet. Bovendien zouden de technische, biologische en sociale wetenschappen moeten samengaan, zowel vanuit Wageningen als vanuit universiteiten in Benin en Ghana.
Een effectievere landbouwwetenschap, dat klonk ook het Nederlandse ministerie van ontwikkelingssamenwerking goed in de oren. Het financierde het onderzoek, samen met INREF van Wageningen Universiteit. Vorige week reisden rector Martin Kropff, opponenten, promotors en copromotors vanuit Wageningen naar West-Afrika, om daar de promoties bij te wonen van acht Afrikaanse en één Nederlandse onderzoeker die de idealen van het programma in praktijk brachten.

Onbewuste keuzes
Participatief onderzoek - dus mét boeren in plaats van óver boeren - is in ontwikkelingslanden al decennia lang in zwang. Maar de pogingen om op die manier oplossingen te vinden die aansluiten bij de praktijk, slagen lang niet altijd. Om te achterhalen waarom dat zo is, deed dr. Suzanne Nederlof, de enige Nederlandse promovenda binnen het programma, onderzoek naar het onderzoek van de andere acht promovendi. Daarnaast analyseerde ze twee projecten die net als CoS bedoeld waren om samen met boeren levensvatbare innovaties te ontwerpen.
Eén van die projecten mislukte omdat de participatie van boeren in feite bedoeld was om hen te overtuigen van nieuwe technologieën, en niet om hen echt een stem te geven. In het andere geval werden boeren niet betrokken bij de keuzes die al dan niet bewust gemaakt werden voorafgaand aan het onderzoek. Er werd bijvoorbeeld aangenomen dat een hogere productie gunstig zou zijn, zonder boeren daarnaar te vragen. Er kwam een beter landbouwsysteem met een hogere opbrengst, maar er bleek geen afzetmarkt te zijn voor de oogst.
Dergelijke keuzes die aan een onderzoek vooraf gaan worden in CoS ‘preanalytische keuzes’ genoemd. Om te voorkomen dat dergelijke keuzes in het onderzoek gemaakt werden die de resultaten waardeloos zouden maken, zijn voorafgaand aan het feitelijke onderzoek al studies gedaan. In de eerste plaats in zogenaamde technografische studies, om op nationaal niveau te kijken op welke gebieden van landbouwkundig onderzoek kansen lagen. Daarna werden deze studies aangevuld met diagnostische studies, een soort ‘marktonderzoeken’ op dorpsniveau. Daarin werd duidelijk wat nu eigenlijk het probleem was, waar de beperkingen van boeren lagen, en waar de kansen. Tijdens het onderzoek zelf zijn alle experimenten op het gebied van onkruid- en plaagbeheersing, bodemvruchtbaarheid en biodiversiteit samen met boeren gedaan. Op die manier konden zij iets leren over de wetenschappelijke methode van kennisverwerving, terwijl de wetenschappers konden leren van de boerenkennis.

Wantsen
Dr. Pierre Vissoh is zelf boerenzoon en wist uit ervaring hoeveel last boeren in Benin hebben van onkruid. Uit de diagnostische studie die Vissoh deed, bleek dat vooral alang alang (speargrass) en striga de boeren dwars zit. Maatregelen die onderzoekers in het verleden voorstelden, vragen om veel arbeid en worden daardoor nauwelijks overgenomen. Alternatieve maatregelen die Vissoh samen met boeren uitprobeerde en die minder arbeid vragen, zoals andere rotaties of eerder in het seizoen planten, bleken succesvoller.
Ook dr. Godwin Kojo Ayenor pakte een probleem aan dat boeren in Ghana zelf aandroegen, namelijk de insectenplaag van wantsen in cacao. Het was onduidelijk welke soort wantsen precies de schade veroorzaakte. Samen met boeren zette Ayenor experimenten op waarbij cacaoplanten in kooien werden gezet, samen met wantsen. De boeren werden er daardoor van overtuigd dat de cacaomug, die ze voorheen als een boosdoener zagen, weinig schade aanrichtte. Andere wantsen bleken wel een bedreiging voor de productie. De boeren stelden toen voor de wantsen te bestrijden met kolonies mieren die predator zijn van de wantsen. De wetenschappers dachten eerder aan besproeien met een extract van de zaden van de neemboom. Uit experimenten bleek dat beide maatregelen effectief zijn.
Dr. Emmanuel Dormon stortte zich eveneens op de ziekten en plagen in cacao in Ghana. Hij stelde op basis van boerenkennis en ervaringen van elders een pakket aan maatregelen voor om plagen en ziekten in cacaoteelt aan te pakken. Naast de wantsen werden ook onkruid en ziekten aangepakt, vooral door de gewasresten op te ruimen. Die bleken namelijk een brandhaard voor Black Pod, een schimmel die de zaadhulzen aantastte. Uit de experimenten van boeren en de onderzoeker bleek dat het pakket maatregelen de cacaoproductie kon verdrievoudigen. Dat resultaat was voor boeren zo overtuigend, dat ze het niet meer nodig vonden om een stuk van de boomgaard ongemoeid te laten, bij wijze van controle. ‘Het leerproces van boer en wetenschapper is ook een onderhandelingsproces’, concludeert Röling. ‘Dormon moest de boeren overtuigen van het wetenschappelijke belang van een controleproef.’
Andersom heeft de wetenschap ook een tik op de vingers gehad van de boeren die deelnamen aan CoS. In de literatuur staat cassave bekend als een bodemuitputter. Maar de boeren die dr. Aliou Saïdou in Benin sprak, beweerden dat een rotatie van cassave met maïs tot een hogere maïsopbrengst leidt. Veldproeven die Saïdou samen met boeren deed, wezen dat inderdaad uit. Op zich heeft de teelt van cassave geen gevolgen voor de chemische samenstelling van de bodem, bleek uit analyses. Maar mycorrhiza, symbiose van de wortels van cassave met schimmels, bleek wel positief effect te hebben op de opname van fosfor later in de rotatie. In de wetenschap was dat verband nog niet bekend.
Dr. Samuel Adjei-Nsiah onderzocht samen met boeren in Ghana dezelfde rotatie. Daaruit bleek dat het toekomstperspectief voor boeren van belang is. Hebben de boeren het land in eigendom, dan kiezen ze voor een rotatie met cassave en maïs die op de langere termijn bodemvruchtbaarheid oplevert. Pachten ze het land, dan kunnen ze beter kiezen voor een rotatie van koeienboon en pinda, die op kortere termijn een vruchtbaarder bodem oplevert.

Klein bereik
Dr. Suzanne Nederlof onderzocht de aanpak van de acht Afrikaanse promovendi en concludeert dat juist de aannames die aan een onderzoek ten grondslag liggen, samen met boeren gemaakt moeten worden. Zolang dat gebeurt, is het heel goed mogelijk om samen met boeren innovaties te ontwikkelen via een interactief proces, is de veelbelovende conclusie uit alle onderzoeken.
En dat is een welkom alternatief voor de jarenlange geschiedenis van technologieoverdracht waarbij onderzoekers of voorlichters van bovenaf een technische maatregel oplegden die om vaak voor de hand liggende redenen niet werd overgenomen.
Maar een nadeel van dergelijk onderzoek is wel dat het arbeidsintensief is en weinig boeren bereikt. De initiatiefnemers willen dan ook dat het programma een vervolg krijgt, met daarin meer aandacht voor de organisaties rondom de landbouw. Niet alleen boeren zelf, ook boerenorganisaties, maatschappelijke organisaties, handelaren, verwerkende bedrijven en overheden moeten op een nieuwe manier samen met boeren gaan experimenteren. Zodat meer boeren kunnen profiteren van de nieuwe manier van landbouwonderzoek.

Re:ageer