Organisatie - 29 mei 2013

Alles draait om grond

De plattegrond van Wageningen valt niet los te zien van de ontwikkeling van Wageningen UR. Als grootgrondbezitter hielden universiteit en DLO de stad lang in een klemmende wurggreep. De trek naar De Born schept ruimte. Ruimte om te bouwen. Maar wel tegen een hoge prijs, vindt publicist Leo Klep.

1-skyline-illustratie2_1LAAG.jpg
Klep schreef in het recent verschenen jubileumboek Geschiedenis van Wageningen een fraai hoofdstuk (Van middelbare school tot wereldspeler) over de ontwikkeling van de stad als landbouwkundig kenniscentrum. Die geschiedenis is een aaneenschakeling van uitbreidingen en grondaankopen. 'Grond is essentieel', beklemtoont Klep. En dan vooral het gebrek aan grond voor de stad, omdat het Rijk de grond koopt voor de universiteit, de proefstations en de instituten.
Dat begint eigenlijk al meteen nadat de Rijkslandbouwschool in 1877 haar deuren opent in het Bassecour in het centrum. Een jaar later wordt Duivendaal, door Klep aangeduid als de eerste campus van Wageningen, ingelijfd. Klep: 'Dat was meteen al bepalend voor de ontwikkeling van het centrum, dat aan de noordkant min of meer werd afgesloten. Een natuurlijke ontwikkeling naar de Lawickse Allee werd daarmee onmogelijk gemaakt.'
En zo gaat het voortdurend. Het Rijk koopt in de eeuw die volgt de ene na de andere lap grond. Op een gegeven moment is liefst een kwart van alle grond in Wageningen eigendom van het Rijk. 'Het grondbeleid van Wageningen was in feite in handen van de minister', concludeert Klep. 'Dat heeft heel lang een vertroebelende rol gespeeld in de verhouding tussen de universiteit en de stad. Er zat altijd een derde aan tafel die niet mee wilde werken.  Het Ministerie van Landbouw werd beheerst door boeren. En grond verkopen doe je als boer niet. Als de stad iets wilde, kon het niet. Naar mijn idee is het Rijk daarin heel belangrijk geweest.'
De Dreijen
Het ruimtegebrek na de oorlog was volgens Klep 'hopeloos'. Inbreiding was het antwoord op die nood. Overal waar maar plek was, nestelden zich instituten en onderdelen van de universiteit. 'Als een mycelium zat de universiteit in de stad. Overal zat wel iets. En al die instellingen hadden colleges aan huis. Een paar keer per dag zag je horden studenten die zich per fiets verplaatsten. Studenten kenden de stad toen beter dan nu.'
De droom om de boel te bundelen buiten de stad is er evenwel altijd geweest. Meteen na de start van het academisch onderwijs in Wageningen, de Landbouwhogeschool in 1918, werd volgens Klep al het plan gelanceerd voor De Dreijen. Door de naderende crisis werd dat plan maar deels uitgevoerd. Wel werden monumentale gebouwen als Het Schip van Blaauw, Landmeetkunde en het laboratorium Microbiologie gebouwd. De Dreijen zelf kreeg pas na de oorlog geleidelijk gestalte. Maar een echte campus werd het nooit.
Die campusdroom wordt nu op De Born in rap tempo werkelijkheid. Dankzij de fusie van de universiteit en DLO in 1998. De stad ontworstelt zich en passant uit een ruimtelijke klem. De ene na de andere bouwlocatie komt vrij voor woningbouw. Maar de prijs is volgens Klep hoog. 'Wageningen als universiteitsstadje wordt hard uitgehold. Als ik nu door het centrum loop, moet ik moeite doen om iets te vinden dat wijst op Wageningen als kenniscentrum. Alles is weg. Wageningen heeft zichzelf afgesloten van de campus.' Klep ziet het met lede ogen aan. 'Want wat krijgen we ervoor terug? De wijk Kortenoord en straks De Dreijen. Parkstadwijken, maar dat zijn niet de voorzieningen die de stad volgens mij nodig heeft. Het leuke van een universiteitsstad is die ontmoeting van werelden. Daar heb je de stad voor nodig. Je kunt een stad niet vervangen door een campus. Maar misschien ben ik te romantisch.'  

Re:ageer