Organisatie - 7 december 2006

Allemaal vegetariër

In het artikel van Laurien Holtjer en Gert van Maanen in Resource 13 van 30 november achten vier geïnterviewden het hoogst onwaarschijnlijk dat de hele wereld ooit vegetarisch zal zijn, en ik denk dat dat terecht is. Interessanter is echter wat zij over het onderwerp te zeggen hebben.
Het is realistischer om de leefomstandigheden in de veehouderij te verbeteren (Stassen), het meten van gevoelens bij dieren is uiterst moeilijk (Van Leeuwen), er zal wel minder vlees worden gegeten omdat dat gezonder is en beter voor het behoud van onze natuurlijke hulpbronnen (De Graaf) en als je dan vegetariër wilt zijn, wees dan consequent en word veganist (Heikoop).
Wat aan deze commentaren opvalt, is dat ze op zuiver rationeel-praktische overwegingen zijn gebaseerd. Men mag dat van wetenschappers en een praktijkman ook verwachten. Op het moment dat hij aan dieren kan verdienen is hij vegetariër af en komt met een, op zichzelf logische, argumentatie. Op grond van deze redenering kan hij dus blijkbaar de koeien, die hij ‘biologisch’ een prettig leven heeft bezorgd, met droge ogen naar het abattoir sturen.
Over welke inconsequentie hebben we het dan eigenlijk? Waarom worden mensen die geen vlees eten zo vaak aangesproken op hun inconsequent gedrag? Hoe consequent zijn al die niet-vegetariërs die een afkeer van de massale bio-industrie hebben of tegen de jacht zijn en terzelfder tijd niet-biologisch vlees eten omdat het goedkoper is? Inconsequentie houdt ons, mits we er ons van bewust zijn, wakker en behoedt ons voor fundamentalistisch denken.
Bij dieren moet je altijd bewijzen dat ze een gevoelsleven hebben, denken kunnen, pijn of verdriet kunnen hebben. Het gebrek aan bewijzen dient maar al te vaak als excuus om welzijnsbevorderende maatregelen die veel geld kosten voor ons uit te schuiven. Een moeder die haar baby hoort huilen heeft geen bewijs nodig om te weten dat hij zich niet lekker voelt. Marian Stamp Dawkins geeft dit voorbeeld in haar boek With our eyes only?. Zo kun je, betoogt zij, vanuit een invoelend vermogen ook peilen wat er in een dier omgaat.
Mensen die zich bij het niet-menselijk leven betrokken voelen - en daarvoor hoef je geen vegetariër te zijn - zijn dat uit compassie, uit het vóelen van de verwantschap met levende wezens. De onvergetelijke A.F.J. Portielje schreef het al in de jaren dertig: ‘Bij dierpsychologisch onderzoek moet de waarde van onbevangen, onbevooroordeeld omgaan met onze 'mededieren' niet worden onderschat. In direct contact kan een zo fijn en veelzijdig mogelijk geschakeerd 'invoelen' ons nader brengen tot het wezen van hun natuurlijke driftleven en tot (betrekkelijk) begrijpen van hun individualiteit en dierlijk 'persoon'. Willen wij van de dierlijke psyche begrijpen wat er voor ons van te begrijpen valt, dan dienen wij in de 'subjectieve' uitingen onzer 'mededieren' niets over het hoofd te zien.’
De benaming ‘dierpsychologie’ is niet zonder reden vervangen door ‘ethologie’. Het vakgebied heeft zeer veel bijgedragen aan onze kennis van dierengedrag. Maar men zou graag zien dat wetenschappers die zich met dieren bezighouden ook iets laten zien van compassie, van begrip voor het feit dat er naast empirisch onderzoek ook een niet-wetenschappelijke, emotionele benadering kan zijn. Als ik m’n hond een standje heb gegeven komt hij naast me lopen en probeert zijn neus in mijn hand te duwen. Het is een ontroerende ervaring en ik heb geen wetenschappelijk onderzoek nodig om te weten dat hij naar verzoening zoekt. Verzoening zoeken is niet hetzelfde als om vergeving vragen: ik behoor niet tot de mensen die in dieren ‘halve mensjes’ zien (Stassen). Toch is het aardig te lezen wat Wim van de Grind zegt over bevers in Natuurlijke intelligentie: ‘Als deze twintig tot dertig kilo zware zoogdiertjes mensen zouden zijn, zouden we ze zonder aarzelen handig, intelligent en ingenieus noemen. Het zou niet in ons opkomen aan te nemen dat ze niet zouden kunnen denken.’
Het is ook hoogst onwaarschijnlijk dat we wel in fysieke zin het product zijn van een geleidelijke evolutie uit het dierenrijk doch alles wat denken en gevoelsleven betreft als het ware pas in onze menselijke soort ‘ingeblazen’ zouden hebben gekregen, zonder dat daarvan iets in onze dierlijke voorouders aanwezig zou zijn.

Louis Razoux Schultz

Re:ageer