Wetenschap - 1 januari 1970

Afzien als hobby

Arnaud Temme kan bergen boven de zesduizend meter beklimmen. Maar de aio kan ook een etmaal lang hardlopen, fietsen, kajakken, steppen én klimmen. Hoewel, tijdens zijn eerste 24 uur lange adventure race begin vorige maand in Bergschenhoek, viel hij slapend van zijn step.

Een foto die Arnaud afgelopen zomer nam van zijn maten op de top van de Strahlhorn in Zwitserland. / foto Arnaud Temme

‘Ik werd wakker toen ik met step en al de berm in reed. Ik keek mijn maat aan: ook zijn gezicht was wit weggetrokken door slaapgebrek. Als zombies zijn we weer opgestapt: drie stappen links, drie stappen rechts, en ondertussen de kaart in de gaten houden. Het was zondagochtend, we kwamen mensen tegen die de hond uitlieten. Anderen komen op zo’n moment terug van een nacht uitgaan; ik sportte. Hierna moesten we kanoën. Maar we konden het water slechts aaien. Na 23 uur wedstrijd hebben we het uiteindelijk voor gezien gehouden. Ik ben nog nooit zo kapot geweest.’
Temme, 27 en aio bij Bodemkunde, werd met zijn maat Paul Dujardin uiteindelijk vierde, vlak achter nationale toppers. Twee dagen was hij nog wat verdoofd door het slaapgebrek, maar verder had hij nergens last. Twee weken later sportte hij twintig uur achter elkaar bij BotS, een wedstrijd tussen teams van studentenalpenclubs. Het was het weekend van de sneeuw, en hij ging met zijn drie teamgenoten hardlopen, mountainbiken, klimmen en varen. Vooral de nattigheid zorgde bij veel deelnemers voor onderkoelingsverschijnselen. ‘Door het rillen was het intekenen van de coördinaten op de kaart moeilijk. Maar het was erg lekker’, zegt Temme. Zijn team werd eerste. Het enige waar Temme nog last van heeft is een bevroren vinger. ‘Maar ik heb er nog drie die bij het klimmen eens bevroren zijn.’



Heldendom
Gevoelloze vingers zijn de enige blessures waar hij soms mee kampt. ‘Mijn lichaam kan dit, en dat kunnen er meer. Ik ben echt geen uitzonderlijke sporter. Maar je moet het ook geestelijk trekken en prettig vinden.’ Temme heeft enige ervaring in afzien. Als vijftienjarige begon hij met bergbeklimmen. Vier jaar later klom hij een paar weken in de Andes. Het beviel zo goed dat hij met een stel vrienden in 1999 in Kazachstan grotere hoogtes opzocht, tot 7.100 meter. Twee jaar later ging hij opnieuw op expeditie, ditmaal in India. ‘In expedities vind je het laatste heldendom. In de Alpen zijn de meeste routes beschreven. Maar ver van de bewoonde wereld moet je zelf je weg vinden terwijl je last hebt van zuurstofgebrek en slecht weer.’

‘Ik wil het heel koud hebben, storm, op grote hoogte zitten’
Na India bleven nieuwe expedities als deze uit. ‘Ik ben twee jaar bezig geweest met schulden afbetalen. Jaren stak ik elke gulden die ik verdiende in materiaal en andere klimkosten. Die tijd is nu voorbij. Misschien heeft het mondaine leven me ingehaald. Ik ben niet meer bereid een jaar alles opzij te zetten voor een expeditie. Bovendien ben ik er achter gekomen dat er een goedkopere manier is, en dus dichterbij, om ontzettend veel plezier te hebben. Adventure racen is het leuke van de bergsport min de bergen. Al moet ik nog wel leren kanoën’, lacht hij.
Na ervaringen bij een klimvereniging in Limburg introduceerde Temme de sportieve activiteit bij de studentenalpenclubs. Het verschil tussen klimmen en adventure racen zit hem vooral in het verschil in focus. ‘Je maakt bij het klimmen ook dagen tot twintig uur, maar je moet constant gefocust blijven vanwege de mogelijke gevaren. Je let op je hartslag en ademhaling, je moet rustiger aandoen als je gaat hijgen en drinken als je dorst hebt. Een adventure race is vooral keihard sporten en vechten om wakker te blijven.’

Teamwerk
De grootste overeenkomst tussen de twee sporten zit in het teamwerk. ‘Ik ben een amateur die graag met zijn vrienden sport. Klimmen is heel intiem. Als ik het touw loslaat vliegt een ander naar beneden. Ik heb een paar maten, vrienden voor het leven. Wij zijn samen tot het uiterste geweest. Dat zie ik terug bij adventure racen. Ieder heeft zijn eigen taak: kaartlezen, water halen, anderen uit de wind houden bij het fietsen. Je probeert elkaar sneller te maken en neemt iemands rugzak over als dat beter is voor het team. Ik functioneer dieper in een team. Het is één voor allen, allen voor één. Er is niets mooier dan een goedgeoliede machine.’
In deze omstandigheden kan hij zich enorm ergeren aan incompetentie. ‘Als iemand de baas is die de baas niet kan zijn, als iemand teveel risico’s neemt bij het klimmen of zijn conditie niet goed genoeg is. Er zijn mensen met wie ik na zoiets niet meer geklommen heb.’ Bij de expeditie in 1999 verongelukte één van zijn beste vrienden door pure pech. Het is de zwartste pagina in zijn leven. ‘En dat wil ik graag zo houden.’
De mooiste beklimming is altijd de laatste. ‘Maar de beklimming van de Zugspitze, met 2962 meter hoogte de hoogste berg van Duitsland, was ook mooi. Het licht was zo prachtig. Ik had niet eerder in de herfst geklommen.’
Het meest trots is hij op de beklimming van een Zwitserse berg vorig jaar, in een tijd die normaal gesproken alleen voor hele goede klimmers (‘Zwitsers’) is weggelegd. ‘Paul en ik waren sneller dan de gouden maat, de tijd die in de routebeschrijving staat. We konden letterlijk niet op de top blijven staan vanwege de harde wind, maar het was euforisch. Vooral ook omdat we zo goed op elkaar waren ingespeeld.’
De berg voldeed aan zijn klimverlangens. ‘Ik zoek de technische uitdaging, ik wil het heel koud hebben, storm, op grote hoogte zitten. Ik vraag me ook wel eens af waar dat verlangen vandaan komt. Maar als je dan boven staat weet je waar je het voor hebt gedaan: het uitzicht.’

Alaska
Op sportief gebied heeft hij nog wel een wensenlijstje. Om te beginnen gaat hij in februari een marathon lopen in Apeldoorn. ‘Een marathon met heuvels. Ik wil ook nog een keer op expeditie met maten. Alaska zou heel mooi zijn. Verder wil ik nog eens het kanaal overzwemmen en zou ik mee willen doen aan de Eco-challenge, een zesdaagse adventure race voor teams van vier personen.’
Daarom heeft hij als aio ook gekozen voor een vierdaagse werkweek. ‘Zo heb ik op jaarbasis ruim twaalf weken vrij en daarmee de vrijheid om door te gaan met klimmen en nog meer te sporten dan ik al deed als student.’

Yvonne de Hilster

Re:ageer