Wetenschap - 1 januari 1970

Afscheid van een fenomeen

Prof. Iteke Weeda heeft een punt gezet achter haar veelbesproken carrière in de wetenschap. Onder overweldigende belangstelling hield ze donderdag 30 maart haar laatste college, over de kracht van het vrouwelijke. Een wervelwind op het randje van cabaret. ‘Laat ze me maar Jomanda noemen, kom ik nog eens in Carré.’

Prof. Iteke Weeda vertelt tijdens haar afscheidscollege over de kracht van het vrouwelijke. / foto BvB, Hans Dijkstra

‘Ik heb nergens voor gekozen, alles is me overkomen.’ Voor een overvolle zaal rijgt Weeda met meisjesachtig enthousiasme persoonlijke ervaringen en anekdotes aan elkaar. Ontspannen zittend op een tafel gunt ze de mensen haar aandacht. Doet ze razendsnel een quizje over hoe manlijk of vrouwelijk de zaal is, test ze en passent nog even het IQ van de aanwezigen en spreekt de hoop uit dat de mannen niet massaal weg zullen lopen bij haar loflied op het vrouwelijke. ‘Veel leuker dan al dat mannelijke waarheid zoeken. Bovendien, over twintig jaar is alles weer achterhaald.’
Weeda, in 1943 geboren, ging in ‘61 agrarische sociologie studeren in Wageningen. Terwijl Leidse professoren gemengde groepen studenten nog aanspraken met ‘mijne heren’, leerde Weeda in Wageningen hoe je homo’s kon ‘genezen’. ‘Ik geloof dat ik zelfs een acht haalde.’ De zaal davert van het lachen en Weeda windt veertig jaar sociale wetenschap om haar vinger.

Bewustwording van liefde
Even later, wanneer ze vertelt hoe ze in de jaren zeventig feministisch sociologe werd, noemt ze dat met gepaste glimlach, ‘wat minder netjes’. Het is duidelijk, wie naar Weeda luistert, proeft een tijdsgeest. Na twee uur geëngageerd theater langs franje van wetenschap, gevoel en spiritus komt haar missie ‘de bewustwording van liefde’ niet onverwacht. Een motto dat Weeda de laatste decennia kenmerkte als publiek fenomeen. Of zoals prof. Han Wiskerke haar inleidde: ‘Als een vrouw die troost bracht in de huiskamers van piekerende huisvrouwen en zoekende mannen.’
Het publiek klapt en looft tijdens het college en bij de presentatie van haar nieuwe boekje, Liefde in vele facetten. Toch rijst ook bij haar afscheid de vraag wat ze met haar spirituele motto’s zocht aan een universiteit, wat haar rol de laatste jaren was. En of ze met een laatste wetenschappelijke publicatie daterend uit 1996 nog wel wetenschapper genoemd kan worden.
Daags na Weeda’s college wil socioloog prof. Kees de Hoog daar wel iets over kwijt. Er zijn volgens hem door de jaren heen meerdere Weeda’s geweest. ‘In de jaren zeventig waren we beiden verbonden aan de leerstoelgroep Sociologie. Weeda was een goede onderzoeker die erg goed promotieonderzoek deed naar communes. Daarna ben ik haar uit het oog verloren, althans ik volgde haar af en toe op televisie.’

Indiaan
De Hoog zag een omwenteling in Weeda’s loopbaan na het vertrek van haar toenmalige professor Kooy in 1985. ‘Ze is een fenomeen geworden. Sindsdien lijkt ze het wetenschappelijke sjabloon verlaten te hebben en naast de wetenschap te staan. Jammer, want veel wat zij doet kan ook prima binnen de wetenschap. Maar ik zal de laatste zijn die haar daarop terecht wijst. Juist op de universiteit moet je duizend bloemen laten bloeien.’
Sinds kort werkt De Hoog weer samen met Weeda in de onderwijscommissie voor Gezondheid en maatschappij. Naar tevredenheid. ‘Het is een uitstekende collega. Ze heeft gevoel voor humor, kan haar eigen spirituele dingen prima relativeren en functioneert ook zeker zonder dat er een indiaan voorbij hoeft te komen.’
Ook Weeda vertelt later in haar woonkamer dat haar leven op te delen is in fases. Na haar onderzoeksdebuut als brave onderzoekster en een tweede periode waarin ze zich feministisch sociologe noemde, heeft ze haar grootste verandering ondergaan na een moeilijke tijd waarin ze ‘veel heeft gehuild’. ‘Ik ben toen naar Canada gegaan voor een cultuurvergelijkend onderzoek naar vriendschap en intimiteit op het werk. Niet het onderzoek, maar een ervaring en een medium dat later erg zinnige dingen zei, hebben me het meest geraakt. Al vaker vroeg ik mij als relatiesociologe af waar het allemaal toe dient, maar toen wilde mijn natuurlijke nieuwsgierigheid er meer van weten en ben ik me gaan verdiepen in andere literatuur.’
In diezelfde tijd werd ze in Groningen benoemd tot hoogleraar Emancipatievraagstukken. En onder professor Jan Douwe van der Ploeg vond ze in Wageningen als universitair hoofddocent veertien jaar lang een plek om zich met spirituele vragen bezig te houden. Van der Ploeg ziet haar, in weerwil van de publiciteit rond het exotische aspect van haar werk, vooral als een loyale, hardwerkende collega die ook zeer veel ‘solide handwerk’ op zich nam. Ze was goed in het geven van basisvakken sociologie en scriptiebegeleiding. Een trendbreuk in haar werk na het vertrek van professor Kooy ziet hij niet. ‘In haar latere werk heeft ze de aandacht wat verlegd naar spiritualiteit binnen de wetenschap en het is volkomen legitiem om je vanuit nieuwsgierigheid hiermee bezig te houden. Bovendien, als er alleen maar onderzoek zou worden gedaan naar zaken die al bewezen zijn, was ook Amerika nooit ontdekt.’
Weeda ziet bij wetenschappers inderdaad een neiging te bewijzen wat op dat moment maatschappelijk al wordt verwacht en geloofd. ‘Ik leerde homo’s genezen omdat er toen serieus iemand op gepromoveerd was. Dit soort onderzoek komt voort uit een conservatieve maatschappelijke weerstand die veelal aangeeft dat er daaronder al wat gaande is. Zo werd ik bijvoorbeeld begin jaren zeventig aangesteld als onderzoeker om aan te tonen dat het gezin zou zegevieren over de commune. Men was bang dat de gezinsvorm zou verdwijnen. Nu weten we dat dit een idiote angst was, maar dat de experimenten met andere samenlevingsvormen wel positief zijn geweest voor onze moraal aangaande samenwonen, zorg en vriendschap. En ook nu zien we dat de ophef over White Bull eigenlijk samengaat met een angst van conservatieve denkers voor de onderliggende maatschappelijke vraag naar ruimte voor spiritualiteit.’
Het is deze hang naar spiritualiteit die De Hoog verbaasde tijdens het afscheidscollege van Weeda. Hij zag de aanwezigen ‘met rode oortjes’ in de collegebanken zitten terwijl hij meer weerstand had verwacht. ‘Er is niemand die bij Weeda’s uniforme maatschappelijke ideeën over globalisering en de ontwikkeling van het innerlijk zegt: zou het ook anders kunnen zijn?’ Hij mist de kritische houding die hij bij gangbare colleges vaak wel treft. ‘Ik zie bijvoorbeeld als socioloog een heel ander, sterk pluriforme maatschappij die allerlei kanten op beweegt. Hier is het is een beetje: Weeda geeft antwoord. Ze brengt de opening waar we in deze piekerende tijd om vragen. Iets wat overigens niet nieuw is in ten tijde van massale secularisering. Al in 1968, toen professor Kooy omstreden colleges gaf over onder andere de pil in Seks en de Mensch, zaten de eerste zes collegebanken vol met tobbende vrouwen.’

Dogma’s en starheid
Weeda ziet zichzelf niet als onderdeel of voorganger van een spirituele beweging, maar gewoon als iemand die gehoor geeft aan een innerlijke drive en nieuwsgierigheid.‘Toen iedereen ongewenste intimiteiten riep, dacht ik: is dat wel zo? En schreef ik over gewenste intimiteiten op het werk. Het interessante is dat zowel de radicale feministen als de conservatieve beweging woedend reageerden. De dogmatici ontmoetten elkaar. Als er iets is dat ik de wetenschap mee wil geven is het om de creativiteit en inspiratie van studenten dan ook niet te smoren in dogma’s en starheid.’
De gepensioneerde Weeda is klaar voor een nieuwe fase, al heeft ze geen vastomlijnde plannen. ‘Wellicht iets met culturele integratie, maar ook hier is het afwachten wat me zal overkomen.’ Op de vraag of ze ook ergens anders uit had kunnen komen als de tijd anders was geweest, is haar wedervraag simpel. ‘Hoe anders?’

Martijn Vink

Re:ageer