Wetenschap - 1 januari 1970

Academische vorming gebaat bij selectie aan de poort

Academische vorming gebaat bij selectie aan de poort

Academische vorming gebaat bij selectie aan de poort


Enkele studenten vinden het MSc-onderwijs in Wageningen te makkelijk. Ze
missen academische vorming, en wijten dit onder andere aan het ontbreken
van duidelijke toelatingseisen. Leren van meer ervaren universiteiten uit
het buitenland lijkt de oplossing.

,,Als je naar Wageningen gaat, dan wordt het hard werken, vertelden ze mij
op Imperial College'', zo vertelt MSc-student Aurelie Huser die een met lof
haar BSc microbiologie op het Londense Imperial College haalde. ,,Nu ik
hier ben, blijkt het dat ik helemaal niet zo hard hoef te werken. Hier moet
je aan het eind van een practicumperiode van zes weken met je groepje een
verslag schrijven. Op Imperial College moest ik elke week zelf iets
soortgelijks inleveren.''
Toch vindt Huser niet dat het onderwijs aan Wageningen Universiteit
moeilijker zou moet zijn. ,,Ik ben vanwege mijn vooropleiding een
uitzondering. Veel Fransen leiden onder de zwaarte van de stof.'' Huser
ziet geen duidelijk verschil tussen de kwaliteit van buitenlandse en
Nederlandse studenten, hoewel ze soms wel Chinese studenten tegenkomt die
er echt niks van begrijpen. Volgens Huser leiden deze studenten hier een
moeizaam bestaan, en hadden betere voorvereisten ze dit leed kunnen
besparen.
,,De kwaliteit van het onderwijs in Wageningen kan verbeteren door het
stellen van duidelijke toelatingseisen'', zo stellen ook Francien Peterse
en Jos Käfer van de Progressieve Studenten Fraktie (PSF). Zij vinden op dit
moment het universitaire onderwijs niet academisch genoeg en zien het
duidelijker voorvereisten als een van de oplossingen om dit probleem aan te
pakken, omdat daardoor de studentenpopulatie homogener zal worden.
,,De eisen zijn niet verkeerd, maar er glipt er wel eens iemand
tussendoor.'', reageert dr Gerrit Epema van de toelatingscommissie van
onderwijsinstituut Omgevingswetenschappen. De voorvereisten die er nu zijn,
voldoen volgens Epema aan de norm. Studenten die in het buitenland een
relevante BSc gedaan hebben moeten met minimaal zeventig procent van de
maximale score afgestudeerd zijn en een voldoende scoren op een
goedgekeurde test voor de Engelse taal. Het probleem is volgens Epema dat
het zeer moeilijk is om vast te stellen of de universiteit waar de student
vandaan komt van voldoende kwaliteit is. ,,Er bestaan geen lijsten waarop
staat welke universiteit ter wereld goed is of niet'', aldus Epema.
,,Zo'n norm van zeventig procent zegt niks", aldus onderwijsvergelijker drs
Robert Warmenhoven van de afdeling Diplomawaardering & certificering van
het Nuffic, de Nederlandse organisatie voor internationalisering in het
onderwijs. Volgens Warmenhoven is het slechts zinvol om zo'n percentage te
stellen als je ook de frequentieverdeling van de resultaten weet, omdat er
overal anders gecijferd wordt. ,,In Canada krijgt bijvoorbeeld twintig
procent van de studenten de hoogst mogelijke score, in dit geval een A. Die
A kan je dan bijvoorbeeld niet gelijk stellen aan een Nederlandse 10, maar
aan het cijfer wat de beste twintig procent van de Nederlandse studenten
haalt, in dit geval is dat een acht of hoger.'' Voor een sluitend
toelatingsbeleid zou je daarom, meent Warmenhoven, elk jaar opnieuw de
frequentieverdeling en de resultaten van alle universiteiten moeten
bekijken.
Volgens Warmenhoven zou het voor Wageningen zinvol zijn om te kijken naar
het toelatingsbeleid van verwante universiteiten in de Verenigde staten en
Engeland, omdat daar veel meer ervaring is op het gebied van selectie voor
MSc-opleidingen. De regel van zeventig procent komt overigens aardig
overeen met de toelatingseisen van Britse universiteiten zoals Imperial
College in Londen die minimaal een zogenaamde upper second class van een
honours degree vragen. Dit staat ongeveer gelijk aan een zeven of hoger van
een BSc-opleiding van Nederlandse hbo's of universiteiten. |
G.v.H.

Re:ageer