Wetenschap - 7 november 1996

Aantal regeringsleiders indicator voor succes FAO-voedseltop

Aantal regeringsleiders indicator voor succes FAO-voedseltop

Zal het deze keer lukken om het hongerprobleem effectief aan te pakken en de 800 miljoen hongerige mensen uit hun lijden te verlossen? In het regeringsstandpunt dat Nederland op de FAO-voedseltop van 13 tot 17 november in Rome uitdraagt, wordt er wel op ingezet, maar de verwachtingen zijn laag.


Op de eerste wereldvoedselconferentie in 1974 durfde de Food and Agriculture Organisation (FAO) het nog ferm te stellen: het hongerprobleem moest binnen tien jaar uit de wereld zijn gebannen. Maar na 22 jaar kunnen we concluderen dat deze doelstelling bij lange na niet is gehaald. Weliswaar is het aantal chronisch ondervoeden in ontwikkelingslanden procentueel afgenomen van 35 naar 20 procent. Maar door de bevolkingsgroei is in absolute zin slechts een zeer kleine stap voorwaarts geboekt. In 1970 waren 890 miljoen mensen ondervoed en in 1990 waren dat er nog 810 miljoen. In Sub-Sahara Afrika nam het aantal ondervoede mensen in alle opzichten toe: het percentage steeg van 36 naar 41 procent en het aantal van 96 naar 204 miljoen. Dit in tegenstelling tot Oost-Azie, dat een forse daling in het percentage chronische hongerlijders wist te bereiken van 41 naar 16 procent en daardoor uitkomt op een aantal van 262 miljoen.

Door de weerbarstige feiten is de doelstelling van de komende wereldvoedseltop dan ook iets bescheidener. De Senegalees Diouf, directeur-generaal van de FAO die in 1995 een initiatief nam tot deze wereldvoedseltop, stelt voor actieplannen te formuleren om het aantal hongerigen tot de helft te reduceren in twintig jaar. Zijn er voortekenen dat dit nu wel gaat lukken? Die vraag is moeilijk te beantwoorden, maar Nederland zet zich er in ieder geval sterk voor in.

Sinds april van dit jaar zijn het ministerie van LNV en het Directoraat-Generaal Internationale Samenwerking (DGIS) van Buitenlandse Zaken bezig geweest met de formulering van het Nederlandse regeringsstandpunt. Dit in samenspraak met non-gouvernementele organisaties, NGO's. Dat heeft geleid tot een uitgebreide lijst van actiepunten, die op 6 november in de Tweede Kamer werd besproken.

Voedselzekerheid

Het belangrijkste punt voor Nederland is dat voedselzekerheid in eerste instantie de verantwoordelijkheid is van de nationale overheden. Die moeten zorgen voor de randvoorwaarden voor voedselzekerheid: een gezond sociaal-economisch beleid en een stabiel democratisch klimaat. Hierbij hoort een breed scala aan politieke besluiten, bestuurlijke maatregelen, onderzoek, institutionele voorzieningen en de juiste wet- en regelgeving.

We hebben de afgelopen jaren geleerd dat dit een heel belangrijke randvoorwaarde is", aldus ir J. Nieuwenhuizen van het ministerie van LNV, een van de schrijvers van het regeringsstandpunt. De hulpprojecten kunnen nog zo goed zijn en voldoen aan alle wensen van duurzaamheid, aandacht voor kleine boeren, emancipatie van vrouwen, et cetera. Maar als je te maken hebt met dictaturen, corruptie, gigantische inflatie of ontbrekende wetgeving, vergeet het dan maar met je goedbedoelde projecten."

Daarnaast benadrukt Nederland dat honger en ondervoeding symptomen zijn van armoede. Voedselzekerheid binnen een land kan niet bereikt worden als de aandacht alleen uitgaat naar productie en handel in voedsel. Het is ook een verdelingsvraagstuk binnen een land, zelfs binnen het gezin. Daarom moet het nationale beleid gericht zijn op terugdringing van armoede en het verbeteren van de voedselzekerheid op het huishoudelijk niveau, meent de regering.

Ten derde stelt Nederland dat de wereldvoedselproductie moet verdubbelen om alle monden (in 2015 zijn dat er waarschijnlijk twee keer zoveel) uberhaupt te kunnen voeden. Die verdubbeling moet bereikt worden via duurzame landbouw in de landen zelf, ook op de marginale gronden. Wat voor soort duurzame landbouw nastrevenswaardig is, zegt de regering niet. Daar is in algemene zin niets zinnigs over te zeggen. We hebben dan ook besloten daar onze vingers niet aan te branden", verklaart Nieuwenhuizen.

Tenslotte onderstreept Nederland de noodzaak van een effectieve samenwerking in VN-verband en een drastische beperking van het aantal instituties dat zich met het voedselvraagstuk bezig houdt. En dat is niet voor niets. De FAO heeft haar leidende rol als wereldvoedselorganisatie min of meer verloren. Naast de FAO houden nog zo'n dertig andere organisaties binnen de VN zich met voedselproblematiek bezig en er woedt een heftige competentiestrijd over wie wat mag doen. Dit heeft geleid tot een zeer ineffectieve organisatie, die nauwelijks in staat is haar taken uit te voeren.

Contributie

Aan de wereldvoedseltop zullen 174 lidstaten deelnemen, maar de invloed van Nederland tijdens de onderhandelingen zal redelijk groot zijn. Ten eerste is Nederland de grootste donor van de FAO. In 1994 betaalde Nederland een miljoen gulden aan contributie, 64 miljoen aan lopende projecten en twaalf miljoen aan noodhulp. Voorts zegde de regering 81 miljoen aan nieuwe projecten toe. Ten tweede investeert Nederland vooral in de ondersteuning van de kerntaken en dat waardeert de wereldvoedselorganisatie in hoge mate.

Bovendien zal Nederland het komende jaar een belangrijke rol spelen als voorzitter van de Europese Unie, die binnen de FAO als een blok opereert. De invloed van Nederland kan dus wel degelijk effect hebben. Als de Nederlandse actiepunten worden geaccepteerd, kunnen deze als randvoorwaarden gelden voor de financiering van projecten.

Maar dan moet de leden van de FAO het wel eens worden over de ontwerptekst, met de daarin opgenomen politieke verklaring en het actieplan. En dat zal nog grote moeite kosten. Alleen al het belangrijkste standpunt van Nederland en de EU - de verantwoordelijkheid van de nationale overheden - levert grote wrevel op bij de G77-landen, een groep van ontwikkelingslanden. Zij vinden dit ongewenste inmenging in de nationale politiek en willen dat niet opgelegd krijgen door de rijkere landen. Ze trekken dat in de sfeer van neo-kolonialisme", aldus Nieuwenhuis.

Ook willen deze G77-landen dat extra geld wordt ingezet voor nieuwe initiatieven om de honger te bestrijden. Maar binnen de VN is van te voren afgesproken dat de wereldtop niet mag leiden tot extra financiering en extra instituties. Het motto is: eerst moeten de bestaande geldstromen effectiever worden ingezet."

Verder moeten de lidstaten het eens worden over beleid dat is gericht op duurzame voedselproductie. Ook dit is nog steeds een heikel punt", vertelt ir A.P.J.M. Oomen van het European Centre for Development Policy Management, die als adviseur voor DGIS een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan het regeringsstandpunt. Het is heel moeilijk een operationele definitie van duurzame landbouw te vinden die voor iedereen acceptabel is."

Maar stel nu even dat de leden het eens wordt over de belangrijkste actiepunten op de wereldvoedseltop. Heeft deze dan meer kans van slagen dan de vorige top bij het uitbannen van de honger? Oomen moet diep nadenken en begint positief. We weten nu veel beter hoe de hongerproblematiek in elkaar zit dan 22 jaar geleden. We hebben meer feiten tot onze beschikking over de groei van de wereldbevolking, over de beperkingen van de landbouwproductie per regio en kijken er ook minder technocratisch naar. Honger wordt nu meer als een armoedeprobleem gedefinieerd en dat is belangrijk. Daarnaast wordt nu een grotere nadruk gelegd op beter bestuur, wetgeving in de landen zelf en het tegengaan van marginalisering van bevolkingsgroepen."

Staatshoofden

Maar eerlijk gezegd denk ik niet dat we het redden voor 2015", vervolgt Oomen. De infrastructuur, de wetgeving, en de landbouwinstituties zijn bijzonder slecht in de meeste landen waar honger is. En dat verander je niet zomaar." Oomen denkt dat de voedseltop vooral kan bereiken dat de hongerproblematiek weer op de politieke agenda van de desbetreffende landen komt. En dat is ook een belangrijke reden van Diouf geweest om de top te organiseren. Het slagen van de top lees ik daarom een beetje af aan het aantal staatshoofden dat komt. Dat is voor mij een indicatie dat die landen het onderwerp weer belangrijk vinden, want er zit voor hen geen extra geld aan vast. Maar de hongerigen zullen voorlopig niet veel profijt hebben van de topbijeenkomst."

Ook Nieuwenhuizen van het ministerie van Landbouw durft nauwelijks verwachtingen te scheppen voor het oplossen van de voedselproblematiek. Er is geen enkel voorteken dat het nu beter zal lukken dan 22 jaar geleden. Honger is een armoedeprobleem dat sterk raakt aan machtsongelijkheid en dat los je niet zomaar even op met een top. De Nederlandse welvaartsstaat is door sociale strijd ook pas na honderd jaar ontstaan."

Re:ageer