Wetenschap - 15 februari 2007

Aan superieure genen heb je niet veel

Als je over een superieur genenpakket beschikt, dan zijn je overlevingskansen niet zo verschrikkelijk veel groter dan die van individuen met een minder uitgelezen genoom. Dat komt omdat we ons seksueel voortplanten, concludeert de Wageningse geneticus dr. Arjan de Visser in een overzichtsartikel. Seks behoedt ons voor de dominantie van de Übermensch.

395_nieuws.jpg
395_nieuws.jpg

Foto: .

‘Biologen discussiëren al tientallen jaren over de vraag waarom er zoiets als seksualiteit bestaat’, zegt De Visser, die is verbonden aan de leerstoelgroep Erfelijkheidsleer. ‘Het antwoord is meestal dat seksualiteit zorgt voor genetische variatie. Soorten die zich seksueel voortplanten, verhusselen voortdurend hun genen.’
Dat klinkt logisch, maar er blijven vragen onbeantwoord. ‘Het is een misverstand dat seks altijd de genetische variatie verhoogt’, zegt De Visser. ‘Stel je voor dat je een populatie hebt waarin een superfit individu voorkomt met een pakket supergenen. Als dat superfitte individu zich voortplant, verhusselt hij zijn superieure genetische pakket met de genen van een partner die minder fit is. Zijn nakomelingen zijn genetisch altijd minder fit dan hijzelf.’
Eigenlijk is dat evolutionair gezien ongunstig. Het zou logischer zijn als het superfitte individu zich ongeslachtelijk kon voortplanten en zo de minder fitte individuen kon verdringen. Waarom planten we ons dan toch seksueel voort?
Omdat supergenen niet super maken, vermoedt De Visser. Om dat te verklaren gebruikt hij het begrip ‘negatieve epistasie’. De term epistasie is in 1909 bedacht door de Britse geneticus William Bateson, die ermee wilde verklaren hoe slechte genen in een populatie aanwezig kunnen zijn zonder dat de fitheid van hun dragers sterk afneemt. Ze worden geneutraliseerd door goede genen, veronderstelde Bateson, en hij noemde dat effect epistasie.
Onder negatieve epistasie verstaan De Visser en Elena een soortgelijk effect dat betrekking heeft op genen die de fitheid juist bevorderen. ‘Negatieve epistasie houdt in dat die fitte genen elkaars effect juist afzwakken’, zegt De Visser. ‘Stel je voor dat er een gen bestaat dat de fitheid van een individu met tien procent verhoogt. En stel je voor dat er nog zo’n gen bestaat. Negatieve epistasie houdt dan in dat een individu dat beide genen heeft, niet twintig procent fitter is dan zijn soortgenoten die de fitte genen niet hebben, maar, laten we zeggen, slechts vijftien procent fitter.’
De Visser vermoedt dat epistasie is ontstaan door de manier waarop ons genoom werkt. Doordat we ons al miljoenen jaren seksueel voortplanten zijn onze genen robuust geworden. Ze hebben een vorm gekregen waardoor ze makkelijk uitgewisseld kunnen worden en kunnen functioneren in zoveel mogelijk genomen. Onze erfelijke machinerie lijkt op een internetbrowser die met hetzelfde gemak pagina’s laat zien die vakkundig zijn gemaakt en pagina’s waarin kleine foutjes zitten.
De Visser schreef zijn artikel samen met zijn Spaanse collega Santiago Elena. Het verscheen in de februari-editie van Nature Reviews Genetics.

Re:ageer