Organisatie - 1 januari 1970

A&F: het einde van een successtory

De verdwijnen van Agrotechnology & Food Innovations als zelfstandig instituut is in historisch opzicht opmerkelijk. Tien jaar geleden profileerde een van de recente fusiepartners, het ATO, zich nog trots als het snelst groeiende onderzoeksinstituut in Europa.

Er kan in tien jaar veel gebeuren. In 1996 dacht toenmalig ATO-directeur dr Albert Eenink dat zijn instituut nog flink kon groeien. ‘We zijn in zes jaar tijd van negentig hoogwaardige arbeidsplaatsen gegroeid naar vijfhonderd. Als we willen, kan het nog veel groter’, zo verklaarde hij toen in een interview met de voorganger van het Wb. De onstuimige groei van het instituut leek een succesverhaal, waarnaar vanuit andere instituten met enige afgunst werd gekeken. Als er een instituut verzelfstandiging en marktwerking zou aankunnen, dan was het toch het ATO wel.
In 1996 voerde het instituut reeds tachtig procent van het onderzoek uit op contractbasis, met gerenommeerde (internationale) klanten uit met name de non-foodindustrie. Sleutel tot het succes waren, volgens Eenink, een ‘strak projectmanagement’ en een ‘uitgebreid netwerk’. Binnen het instituut draaiden tien business units die elk verantwoordelijk waren voor hun eigen resultaat. ‘Doet een unit het minder goed, dan saneren we aan het eind van het jaar’, aldus Eenink, die ook bekendstond als een hard manager.
Het feit dat Eenink zich destijds fel verzette tegen de opname in hetzelfde artikel van kritische geluiden vanuit de universiteit, is achteraf bezien misschien tekenend. De belangrijkste universitaire kanttekening was dat de geweldige groei van marktgericht en extern gefinancierd onderzoek gevaren met zich meebrengt. Expertise veroudert immers snel en nieuwe toepassingen verkopen vereist een voortdurend onderhouden van het fundamenteel strategisch onderzoek.
Opmerkelijk is dat het instituut na vertrek van Eenink naar Numico, al snel te maken krijgt met tegenwind. In 1998 is sprake van een stagnerende omzet en een negatief resultaat. In 2001 is het aantal medewerkers afgenomen tot 350 en is volgens het jaarverslag ‘het investeringsniveau weer op peil gebracht’. In hetzelfde jaar worden ook besprekingen gevoerd om intensief te gaan samenwerken met TNO Voeding, maar dat loopt uiteindelijk op niets uit. Ook TNO Voeding is overigens sinds 1 januari geen zelfstandig instituut meer.
Het zijn de stagnerende economie en het ontbreken van een gegarandeerde geldstroom van het landbouwministerie die het ATO opbreken. De bundeling van krachten met het IMAG, een instituut met een heel wat minder flamboyante levenswandel, heeft blijkbaar ook niet de synergie gebracht die nodig is om zich als een zelfstandig instituut staande te houden in de hectische onderzoeksmarkt. / GvM


Beknopte geschiedenis A&F:
1936: Oprichting Instituut voor Onderzoek en Verwerking van Fruit en Groenten (later: Instituut voor Bewaring en Verwerking van Tuinbouwprodukten, IBVT; later: Sprengerinstituut voor voedselverwerking)
1944: Oprichting Instituut voor Tuinbouwtechniek (ITT)
1949: Oprichting Instituut voor Landbouwtechniek en Rationalisatie (ILR)
1956: Oprichting Instituut voor Bewaring en Verwerking Landbouwprodukten, IBVL)
1957: Oprichting Instituut voor Landbouwbedrijfsgebouwen (ILB)
1975: ITT, ILR en ILB fuseren tot Instituut voor Mechanisatie, Arbeid en Gebouwen (IMAG, later: Instituut voor Milieu- en Agritechniek)
1989: IBVT/Sprengerinstituut en IBVL fuseren tot Instituut voor Agrotechnologisch Onderzoek (ATO)
2003: ATO en IMAG fuseren tot Agrotechnology & Food Innovations (A&F)
2005: A&F verdwijnt als zelfstandig instituut en gaat deels op in Wageningen Universiteit.

Re:ageer