Wetenschap - 27 januari 2005

A&F: ‘rommelig en te breed’

Een paar maanden nadat het Innovatieplatform van Jan Peter Balkenende besloot dat het belangrijkste segment van de Nederlandse economie Food & Flowers heet, viel het doek voor het onderzoeksinstituut Agrotechnology & Food Innovations. Op zoek naar een verklaring steekt Wb zijn licht op buiten de Wageningse Vallei.

‘De subsidies die A&F binnenhaalde klonken als een klok, maar waren uiteindelijk niet meer waard dan Monopolygeld.’ / foto Guy Ackermans

Het is te vol op de markt voor onderzoek waar A&F zijn geld wil verdienen, vertelde bestuursvoorzitter Aalt Dijkhuizen bij de bekendmaking van het nieuws vorige week. In het gevecht tussen TNO, Nizo en universiteiten is het onderzoeksinstituut kopje onder gegaan. Kan kloppen, denkt voedingsjournalist drs Maarten van den Pas. Als hoofdredacteur van de bladen Meat&Meal en Elsevier Voedingsmiddelen Industrie houdt Van den Pas de voedingsindustrie al enkele jaren in de gaten.
‘Ik ken vooral de vleessector goed’, zegt hij. ‘Daar is de animo om te investeren in onderzoek magertjes. De sector heeft een zware tijd achter de rug, met problemen die alle energie hebben opgeëist. Jos Ramekers, de directeur van het productschap PVE, heeft in zijn nieuwjaarstoespraak al gewaarschuwd dat het nu niet slechter meer moet worden. Anders komt het voorbestaan van de vleesindustrie in gevaar.’
Of het in de rest van de food ook zo is, dat weet Van den Pas niet zeker. ‘Maar het zou me niet verbazen. Kijk maar naar Food Valley. Het idee was dat er allerlei bedrijven hun onderzoeksafdeling zouden overhevelen naar Wageningen. Dat het geen storm loopt zegt iets over de interesse van de bedrijven in onderzoek.’

‘Dit had eigenlijk tien jaar geleden al moeten gebeuren’
Hapsnap
De Maastrichtse hoogleraar prof. Robert-Jan Brummer, verbonden aan de voedingsgroep Nutrim en tevens programmadirecteur Nutrition and Health bij WCFS, ziet het minder somber in. ‘In de jaren negentig, toen het economisch voor de wind ging, deden de bedrijven veel hapsnap onderzoek. Nu het tij is gekeerd, zie je inderdaad dat die projecten worden beëindigd. Maar het besef groeit dat de voedingssector onderzoek nodig heeft, groeit in de vorm van grote en strategische uitgezette projecten. Dat onderzoek komt nu van de grond.’
Van die trend heeft A&F echter niet kunnen profiteren. Dat komt, vermoedt dr Anton Franken van de technologiestichting STW, omdat A&F ‘op de markt is gejáágd’. ‘Voor zover ik dat kan overzien was de grootste makke van A&F dat het geen stabiele financiering had’, zegt de ex-ATO-topman. ‘Bijna al het geld moest uit de markt komen, en de onderzoekers van A&F deden de ene keer zus en de andere keer zo. Maar de markt vraagt expertise, om mensen die er echt verstand van hebben. Die expertise krijgt een instelling alleen als er mensen continu ruimte hebben om nieuwe ideeën en concepten te ontwikkelen. A&F heeft die ruimte niet gehad. Toen de markt krap werd, heeft dat A&F de das omgedaan.’
Dr Colja Laane, in een vorig leven hoogleraar Biochemie en nu onderzoekscoördinator bij chemiereus DSM, onderschrijft Frankens analyse. ‘Op punten was A&F zonder meer goed’, zegt hij. ‘En op die punten wisten we bij DSM ze wel te vinden. Maar het was ook een rommelig instituut dat te breed bezig was. De ene keer deden ze zus, de andere keer zo. Op veel punten misten ze kritische massa.’

Subsidies
Het door Laane gesignaleerde gebrek aan kritische massa was het gevolg van een structureel probleem waarmee A&F kampte, zeggen ingewijden. Er was te weinig geld om onderzoekers vrij te stellen om hun ideeën verder te ontwikkelen. Goed, A&F deed het dan wel uitstekend bij de belangrijke subsidiegevers, maar die betaalden altijd maar een deel. Altijd moest A&F zelf ook een deel op tafel leggen – en dat kon het instituut op een gegeven moment niet meer. De subsidies die A&F binnenhaalde klonken als een klok, maar waren uiteindelijk niet meer waard dan monopolygeld.
Zoals alle andere gewezen DLO-instituten kreeg A&F wel enige basisfinanciering uit de ruif van LNV – ‘de kennisbasis’ geheten - maar dat bedrag was bescheiden. Daar komt nog bij dat A&F bij de verdeling van dat geld onder de instituten te vaak het onderspit delfde. ‘LNV heeft weinig op met technologie en heeft geen technologiebeleid’, verklaart STW-directeur Franken. ‘Dat is jammer. LNV zou toch moeten weten hoe belangrijk de technologie is voor de ontwikkeling van de Nederlandse landbouw.’
PvdA-senator prof. Rudy Rabbinge is één van de drie Wageningse wetenschappers die namens Wageningen UR toeziet op de gang van zaken rond de Kennisbasis. Hij denkt dat het trieste lot van A&F het directe gevolg is van de halfwassen manier waarop Wageningen UR in de jaren negentig tot stand is gekomen. ‘Wat er overblijft van A&F komt onder de universiteit te vallen’, zegt Rabbinge. ‘Het komt voor een heleboel mensen misschien als een donderslag bij heldere hemel, maar het had eigenlijk tien jaar geleden al moeten gebeuren. De makers van Wageningen UR hebben toen krampachtig geprobeerd om zoveel mogelijk alle aparte instellingen van elkaar gescheiden te houden, en dat wreekt zich nu – en niet alleen bij A&F. Het was beter geweest als er meteen een volledige integratie was geweest.’

Roofbouw
Was dat gebeurd, aldus Rabbinge, dan was de roofbouw die op de onderzoekers van A&F is gepleegd achterwege gebleven. In het volledig geïntegreerde Wageningen UR hadden ze niet continu hoeven worstelen om te overleven op de markt. Dankzij de alma mater hadden ze zich ook periodes kunnen bezighouden met de zuivere wetenschap, tijdens projecten voor bijvoorbeeld STW of NWO.
Als Rabbinge terugdenkt aan de jaren zeventig, aan de periode dat hij de scepter zwaaide over de vakgroep Theoretische Teeltkunde, dan ziet hij het geïntegreerde Wageningen UR voor zich. ‘We werkten toen nauw samen met het instituut dat later zou opgaan in PRI’, zegt hij. ‘Wie met ons samenwerkte wist niet wie nou universiteit was en wie DLO. En zo hoorde het. Vonden we.’

Willem Koert

Re:ageer