Wetenschap - 10 augustus 1995

Wieringa

Wieringa

Hittegolf in Nederland. Door de weersgesteldheid van de afgelopen maand denkt menigeen dat het broeikaseffect nu echt heeft toegeslagen. De NOS-weerman sprak over het weer dat ons de komende eeuw te wachten staat. Is dat zo?

Twee warme zomers maken nog geen broeikaseffect. De basis voor een geleidelijke klimaatverandering is de temperatuur van de bovenste honderd meter van het oceaanwater. Daarop heeft het weer alleen invloed bij een jarenlange warmte of droogte. Maar het weer is wisselvallig. De zomer van 1976 was droger dan deze zomer, die van 1947 was bloedheet.

De statisticus zal zeggen: de aanwijzingen voor een klimaatverandering zijn niet significant. Om een eventuele verandering te kunnen constateren, moeten we veel gegevens van de afgelopen jaren verzamelen en uitwerken. Maar voor dergelijk onderzoek is geen geld; dat onderzoek vindt de politiek te lang duren. Het onderzoek moet beleidsrelevant zijn en daarom besteedt de overheid het geld aan een computermodel dat in een week tijd wat conclusies kan uitspuwen.

Wil je iets over klimaatverandering zeggen, dan moet je eerst weten wat het huidige klimaat is en hoe variabel het is. Je moet dan verzamelstudies doen die zo'n acht manjaar duren. De laatste studie op het gebied van temperatuur en vochtigheid, waar dus die variatie werd vastgesteld, is in de jaren dertig gedaan. Daarna niet meer; niemand heeft het geld ervoor over. Ja, temperatuurrecords houden ze nog bij.

Het broeikaseffect is zeker niet uitgesloten; er zijn meer aanwijzingen dat het warmer wordt dan dat het kouder wordt. Maar hoe snel dat gebeurt? Dan moet je de trend ontdekken tussen de grote variaties, door het stellen van vragen als: Hoe vaak komt het in een eeuw voor dat we een zomerweek boven de 25 graden hebben?

Stel: de temperatuur is gemiddeld 1 en de variabiliteit ervan is vijftig procent. Dan zijn temperaturen tussen de 0,3 en de 1,7 nog normale afwijkingen. Je moet dan lang waarnemen voor je als onderzoeker kunt vaststellen dat de temperatuur gaat oplopen naar gemiddeld 1,1. Als de variabiliteit slechts vijf procent is, zie je zo'n trend in een paar jaar. Daarom moet je eerst die variatie vaststellen.

Gericht en vakkundig weeronderzoek verdient zichzelf in tienvoud terug, is in de jaren zeventig vastgesteld. Alleen komt dat geld niet in de zakken van het ministerie van Verkeer en Waterstaat terecht, maar doen de landbouw en de bouw er hun voordeel mee. Maar er loopt geen commerciele lijn naar die gebruikers. Bovendien denkt iedere Nederlander dat 'ie een weerexpert is. Die komt dus niet op het idee om een echte meteoroloog te raadplegen. Er bestaat veel beunhazerij in de weerkunde."

Re:ageer