Wetenschap - 27 november 1997

Wetenschap uit twijfels over het parkachtig landschap van Vera

Wetenschap uit twijfels over het parkachtig landschap van Vera

Wetenschap uit twijfels over het parkachtig landschap van Vera
Pollendiagrammen geven stof tot discussie over het verleden
De theorie dat Nederland vroeger een open, parkachtig landschap bezat, zoals dr Frans Vera onlangs poneerde, wordt omarmd door natuurbeheerders. Maar de wetenschappers twijfelen aan de juistheid van zijn theorie. Vera mag dan het probleem van de eik elegant oplossen, maar hij roept nieuwe problemen op bij de reconstructie van de oernatuur: waar bleef het gras en de weegbree en hoe werden de grazers gereguleerd?
Aan publiciteit heeft de onlangs gepromoveerde ecoloog dr Frans Vera geen gebrek gehad. In zijn proefschrift poneert hij een nieuwe theorie over het natuurlijke bos van Midden- en West-Europa: geen gesloten bos maar een open parkachtig landschap. Paarden en runderen grazen op de weiden en vermijden doornige struwelen. In die struwelen zijn zaailingen van de bomen beschermd tegen vraat. Ze kunnen daar uitgroeien tot een dicht bos. Na verloop van tijd ontstaan open plekken in dat bos, waar het proces van begrazen en de opkomst van doornige struwelen weer opnieuw beginnen. Vera noemt dit de cyclische turnover van vegetaties. Natuurontwikkelaars zien in het proefschrift nu eindelijk een theoretische onderbouwing van wat zij al jaren in de praktijk brengen in onder andere de Blauwe Kamer en de Oostvaardersplassen. Daar houden grote grazers als Heckrunderen, Konikspaarden en Galloways het landschap open
Vera lost met zijn theorie een paar problemen op waar wetenschappers al een tijd mee worstelden. De hazelaar, de zomer- en de wintereik komen volgens de pollendiagrammen sinds het einde van de laatste ijstijd voor. Maar deze soorten zijn geen van drieen in staat om op te groeien in een gesloten bos. Dus, zegt Vera, kan er geen gesloten bos zijn geweest. Herbivoren hebben het bos open gehouden, stelt Vera, wat hij onderbouwt met ecologische, historische en zelfs taalkundige argumenten
De waarde van zijn boek is, stellen collega-wetenschappers bijna unaniem, dat Vera de oude theorieen en aannames eens even helemaal overhoop heeft gehaald en daar een aardige nieuwe constructie mee heeft gemaakt. Maar hij roept tegelijkertijd even grote nieuwe problemen op
De meeste discussie gaat over de waarde en de interpretatiemogelijkheden van de pollendiagrammen. Die diagrammen geven per tijdsvak weer wat voor pollen er terug zijn gevonden. Vera maakt eruit op dat de eikensoorten en de hazelaar sinds de ijstijd voorkomen. Het probleem is echter dat er geen grassen voorkomen in de pollendiagrammen uit het Atlanticum, de periode na de laatste ijstijd (tienduizend tot vijfduizend geleden). Volgens Vera komt dat doordat de herbivoren het gras opaten voordat het pollen kon vormen. Maar hoe kan het dan, vraagt paleobotanicus prof. dr Roel Janssen zich af, dat op de grote prairies van Noord-Amerika het gras wel tot bloei en pollenvorming kan komen, ondanks de enorme hoeveelheid buffels? Vera had daar tijdens de verdediging van zijn proefschrift geen antwoord op
Pollenkorrels
De Amsterdamse hoogleraar Ecologische prehistorie dr Willy Groenman-Van Waateringe heeft onderzoek gedaan naar het voorkomen van pollenkorrels in begraasde gebieden in Nederland. Zij concludeerde dat de veedichtheid inderdaad recht evenredig is aan de hoeveelheid gevonden graspollen. Maar ik kan me niet voorstellen dat de veedichtheid in de prehistorie zo hoog was dat het aantal pollenkorrels nul is geweest, aldus Groenman-Van Wateringe
Volgens ir Joep Dirkx van de afdeling Historische geografie van het Staringcentrum verklaart de theorie van Vera bovendien niet waarom de hoeveelheid grassen opeens toeneemt met de intrede van de landbouw, vijfduizend jaar geleden. Vera antwoordt dat het oorspronkelijke open parklandschap min of meer in stand is gehouden door de mens. De mens heeft het landschap alleen gebruikt en de wilde herbivoren zijn ingeruild voor de gedomesticeerde grazers. Volgens Dirkx is echter, zeker in de IJzertijd (500 voor Christus tot het begin van de jaartelling) en hoge Middeleeuwen (1000-1250), het landschap heel intensief gebruikt en is het onwaarschijnlijk dat er toen opeens wel grassen tot bloei konden komen. Die zouden in die tijd dan ook geen pollen kunnen vormen. Anders zou de introductie van de landbouw betekenen dat de graasdichtheden lager waren dan in de tijd dat er alleen nog wilde herbivoren voorkwamen. Dirkx: Je moet dus eigenlijk wel aannemen dat de mens het bos opener heeft gemaakt waardoor er opeens ruimte komt voor de grassen. De intrede van grassen komt precies overeen met de intrede van de landbouwende mens. Dat kan geen toeval zijn.
Weegbree
Een vergelijkbare opmerking komt van dr Bas van Geel, paleoecoloog van de Universiteit van Amsterdam. In het Neolithicum (vanaf vijfduizend jaar geleden) zie je opeens de typische tredplanten als weegbree verschijnen. Die soorten kwamen ook vlak na de ijstijd voor en verschijnen pas weer als de mens het bos open maakt. Ik vraag me af hoe dat te verklaren is. Binnenkort willen we dan ook eens graag met Vera hierover in debat gaan. Van Geel denkt dat de reconstructie van het verleden op basis van pollendiagrammen een kwestie blijft van interpretatie
De gangbare theorie gaat ervan uit dat na de ijstijd het klimaat langzaam verbeterde en geleidelijk weer een gesloten bos ontstond van eik, linde en iep. Dit zou geen geschikt bos zijn geweest voor de grote grazers, die daarom in de loop van een paar duizend jaar naar de randen van de plateaus verdwenen. Daar was het bos opener of bestond de vegetatie uit lage struiken. Deze migratie van de dieren is volgens Dirkx af te leiden uit de nederzettingen van de jagers die in de loop van de tijd ook steeds vaker op de arme gronden en langs rivieren te vinden waren. De jagers volgden het wild dat werd opgejaagd door een steeds dichter bos. Ik kan mij voorstellen dat bepaalde gedeelten van Nederland een open parkachtig bos was, maar niet overal. Het parkachtig landschap zal vooral daar geweest zijn waar de a-biotische factoren een grote rol hebben gespeeld in de vegetatiestructuur. Ik stel mij dus een andere schaal voor van het mozaiek dan Vera doet. Dirkx denkt dat de herbivoren de optimale vegetatie hebben opgezocht, terwijl Vera meent dat de herbivoren een belangrijke structuurbepalende invloed hebben gehad
Dit is minder tegenstrijdig met de theorie van Vera dan het op het eerste gezicht lijkt. Dirkx gaat er namelijk van uit dat de monsters voor de meeste pollendiagrammen genomen zijn op natte plekken, omdat ze daar overleven. Diagrammen van dichtbegroeide bossen zijn er niet, omdat de pollen meestal zijn verdwenen of in zeer slechte staat verkeren. Uit de beschikbare diagrammen is dus een relatief open landschap met runderen te destilleren, terwijl er van de dichte bossen op de zandgronden geen gegevens beschikbaar zijn, redeneert Dirkx
Crash
Een opmerking van een andere orde komt van Harm Piek van de Vereniging Natuurmonumenten. Volgens hem ontbreekt in het proefschrift van Vera een verhandeling over de invloeden op de herbivoren. De grazers mogen de vegetatiestructuur dan beinvloeden, maar de grazers zelf kunnen ook worden bedreigd door honger, ziekten en predatoren. Piek: Ik vraag me af wat er gebeurt met de vegetatie als de populatie herbivoren in elkaar stort. Wij hebben dat bijna meegemaakt in de Imbos. Vorig jaar zagen we al de eerste tekenen van een crash van de populatie. We hebben dat toen voorkomen door bijvoederen, maar wat was er gebeurd met de populatie en de vegetatie als we de grazers aan hun lot hadden overgelaten? Dat soort rampen moeten zich vroeger hebben voorgedaan, maar daar zegt Vera niets over. Als de populatie voor langere tijd wegvalt, ontstaat waarschijnlijk weer dicht bos. En zijn de grazers dan weer in staat om dat open te maken?
Vera heeft zich naast de ecologische invalshoek ook gewaagd aan een taalkundige verhandeling. Hij heeft in oude teksten gezocht naar de betekenis van woorden als wald en forest. Hij concludeert uit die teksten dat, in tegenstelling tot wat altijd wordt gedacht, deze woorden in de Middeleeuwen niet de betekenis van een dichtbegroeid bos hadden, maar vooral juridische termen waren
Volgens historisch etnograaf prof. dr Anton Blok is het proefschrift een prachtig werk, maar heeft Vera te weinig oog gehad voor een paar taalkundige begrippen. De betekenis van een woord drieduizend jaar geleden zegt niets over de betekenis van datzelfde woord duizend jaar later. Met die chronologie heeft hij te weinig rekening gehouden. Dat geldt ook voor de geografische verschillen van de begrippen. U weet wat het woord bil in Nederland betekent, maar in Vlaanderen betekent het dijbeen. Voor de chronologie en geografie heeft hij te weinig oog gehad, maar dat doet niets af aan de waarde van het verhaal. Hij heeft ons taalkundigen weer nieuwe stof gegeven voor onderzoek.
Wildernis
Volgens Vera bewijst het meeste commentaar hoe stevig de oude theorie van het gesloten bos in de hoofden van de wetenschappers is verankerd. Maar een theorie moet ecologisch wel kloppen en dat doet die bestaande theorie niet, omdat de eik en de hazelaar niet kunnen verjongen in een gesloten bos. Men spreekt steeds over het meer of minder open maken van het bos, terwijl ik spreek over een landschap dat bestaat uit bosschages en graslanden. Men interpreteert de diagrammen, de opkomst van de landbouw, het gebruik van de wildernis in de Middeleeuwen en de trek van de jagers zoals wetenschappers dat jarenlang hebben gedaan: met de vooronderstelling dat er gesloten bos is geweest. Als ik zeg dat dat ecologisch onmogelijk is, dan moeten ze dus op een andere manier naar die diagrammen en de opgravingen gaan kijken. Als je altijd geleerd hebt dat er lage dichtheden aan herbivoren waren, omdat ze in het bos niets te vreten hadden, is het moeilijk om je andere dichtheden voor te stellen in een open parkachtig landschap.
Voor het beantwoorden van de nog bestaande vragen moeten wetenschappers dus niet terugvallen op de oude theorie. Zo meent Vera dat er andere verklaringen mogelijk zijn voor het ontbreken van gras in de pollendiagrammen. Door vraat was het aantal graspollen al kleiner en daar komt nog eens bij dat de graspollen niet door de wind werden meegenomen naar venen, maar direct neersloegen op de bodem. De graspollen werden dus niet geconserveerd. Bovendien produceren de vrijstaande bomen zoveel pollen dat ze de graspollen als het ware overschreeuwen in de diagrammen

Re:ageer