Wetenschap - 23 februari 1995

West-Europa moet geen handelsbelemmeringen opwerpen

West-Europa moet geen handelsbelemmeringen opwerpen

SER buigt zich over toetreding Oost-Europa tot EU

Midden- en Oosteuropese landen zullen wellicht binnen tien jaar toetreden tot de Europese Unie. Beide partners kunnen profiteren van zo'n integratie, voorspelt drs M. Bos, plaatsvervangend directeur Economische Zaken van de SER. Maar het proces verloopt uiterst moeizaam en het landbouwbeleid lijkt een welhaast onoverkomelijke horde. Volgende week komt Bos naar Wageningen om de cyclus 195 Jaar na de Wende van Studium Generale af te sluiten.


De overgang in Oost-Europa van een geleide planeconomie naar een vrijere markteconomie is uitermate ingewikkeld. Maar tegelijkertijd vormt de economische integratie van Oost- en West-Europa een grote uitdaging en daarom wordt het pad er naartoe alvast verkend", vertelt drs M. Bos, plaatsvervangend directeur Economische Zaken van de Sociaal-Economische Raad (SER). Zowel het Westen als het Oosten moet zich aanpassen. Maar uiteindelijk is er dan een win-win situatie voor beide partijen."

Bos, die 28 februari naar Wageningen komt voor een lunchcollege in Hotel de Wereld, zit momenteel in een commissie die een nieuw advies aan de regering voorbereidt over de uitbreiding van de Europese Unie met Polen, Hongarije, Tsjechie, Slowakije, Roemenie en Bulgarije. Eind 1993 verscheen al een SER-advies over de sociaal-economische betrekkingen met Midden- en Oost-Europa voor de ministeries van Buitenlandse zaken, Economische zaken, Financien, Sociale zaken en werkgelegenheid, Landbouw, natuurbeheer en visserij en Ontwikkelingssamenwerking.

West-Europa kan profiteren van integratie, als het zich richt op haar sterke punten. Wel moet het Oost-Europa de kans geven om zich te specialiseren en dus geen handelsbelemmeringen opwerpen." Een belangrijk wederkerig winstpunt is, volgens Bos, dat in Midden- en Oost-Europa lage lonen vigeren. Hiervan kunnen Westeuropese bedrijven profiteren door hun arbeidsintensieve bewerkingen uit te besteden in Oost-Europa. De Westerse bedrijven kunnen de produkten vervolgens weer zelf verhandelen en de winst kan voor beiden groot zijn: het Westen ziet haar internationale concurrentiepositie versterkt en het Oosten weet zich verzekerd van werkgelegenheid en een vlotte afzet.

Zo verhaalt Bos over een Nederlandse scheepswerf die haar casco's voor nieuwe schepen in Polen laat bouwen. Die casco's zijn daar dertig procent goedkoper dan in Nederland. Bos: Dat kost hier dus arbeidsplaatsen, maar uiteindelijk stijgt de export, omdat de concurrentiepositie vanwege de lagere arbeidskosten wordt versterkt. Hetzelfde kan met software, vooral Hongarije is daarin al heel ver, en ook in de kledingindustrie. Zo zetten Polen of Hongaren kleding in elkaar met Nederlandse stoffen en patronen; deze worden vervolgens in of vanuit Nederland verhandeld."

Management

Het loonniveau verschilt snel een factor tien", vervolgt Bos. Door een aantrekkende economie zal het inkomen in Midden-Europa langzaam stijgen. Maar je bent heel wat jaren verder voordat ze op ons niveau zitten. Het bruto nationaal produkt per inwoner ligt daar op dertig tot veertig procent van het gemiddelde in de Europese Unie. Stel dat hun economie - bij een voorzichtige schatting - jaarlijks met zes procent groeit en de onze met drie, dan lopen zij jaarlijks procentueel gezien wel, maar absoluut gezien niet in."

Ondanks deze ietwat trage inhaalmanoeuvre kan volgens Bos het integratieproces, zowel hier als in Midden- en Oost-Europa, de economische positie versterken en de welvaart vergroten. Immers, met een vrijere handel zullen in West-Europa de consumentenprijzen dalen. Weliswaar worden dan sommige ondernemers weg geconcurreerd, maar die kunnen nieuwe markten zoeken voor kennis-intensieve produkten. En Oosteuropese economieen kunnen de vruchten plukken van een marktopening naar het Westen. Er zal een herstructurering en specialisatie optreden, waarmee de welvaart is gediend. Het probleem in Oost-Europa is echter dat mensen voldoende technisch zijn geschoold, maar onvoldoende kennis hebben van management en beleidszaken. Alleen de jongste generaties zijn daarin getraind."

Veiligheid en politieke stabiliteit zijn, vanuit een weloverwogen eigenbelang van de Europese Unie, belangrijke redenen om de aansluiting van Oosteuropese landen te bevorderen. West-Europa ondersteunt het transformatieproces vooral door haar markten te openen voor (niet-agrarische) produkten uit Oost-Europa. In december 1991 heeft de EU met vier Middeneuropese landen Europa-akkoorden gesloten: Polen, Hongarije, Tsjechie en Slowakije (de zogenoemde Visegrad-landen). Roemenie en Bulgarije zijn daar in het voorjaar van 1993 bijgekomen.

Voor industriele goederen houden die akkoorden een vergaande marktopening in. In het jaar 2000 zal in beginsel sprake zijn van vrijhandel. Wel kunnen beide partijen exporten weren als er sprake is van dumping of marktontwrichting. In het Westen bestaat snel de neiging om van dumping te spreken als een buitenlandse aanbieder goedkoop levert. Maar als bijvoorbeeld een Oosteuropees bedrijf een produkt goedkoper levert dan een Nederlandse bedrijf dan hoeft dat geen dumping te zijn. Daarvan is alleen sprake als bij export lagere prijzen in rekening worden gebracht, dan bij verkoop op de eigen binnenlandse markt."

Frietfabriek

Volgens Bos zal in Oost-Europa naast de industrie vooral de dienstensector groeien, zoals bijvoorbeeld in de horecasector. Daarbij kan het bovendien weer profiteren van het comparatieve voordeel dat er veel goed opgeleide mensen zijn, die voor lage lonen werken. Maar", vervolgt Bos, het probleem blijft dat men, zoals ik al zei, van moderne marketing- en managementtechnieken nog niet zoveel kaas heeft gegeten. Verder is er onvoldoende kapitaal om alle benodigde investeringen te plegen. Ook kost het tijd voordat alle instituties van de moderne markteconomie zijn ingevoerd. Zoals de omschakeling van staats- naar prive-bedrijven en de opzet van een handelsbeurs. Het is nou eenmaal onmogelijk om van de ene op de andere dag van een centraal geleide economie, een goed functionerende markteconomie te maken."

De veel geuite vrees dat Westerse bedrijven nu snel de markten in Midden- en Oost-Europa volledig gaan overnemen is ongegrond, meent Bos. Daarvoor zijn de markten, maar ook de risico's te groot. Bovendien zullen Westerse bedrijven lokale deskundigheid nodig hebben om goed te kunnen werken. Volgens de plaatsvervangend directeur Economische Zaken van de SER is het juist een voordeel dat westerse bedrijven daar zorgen voor bedrijvigheid. Neem bijvoorbeeld een stadje in het noorden van Polen. De werkeloosheid bedraagt er officieus meer dan vijftig procent. Nu is er een Nederlandse frietfabriek opgestart. In eerste instantie rekenden de mensen op duizend arbeidsplaatsen, dat zijn er maar zeventig geworden. Belangrijk is echter dat er zo impulsen worden gegeven die de bal aan het rollen brengen." Zo denkt Bos dat de arbeiders hun extra inkomsten kunnen aanwenden voor eigen nieuwe activiteiten.

Het grootste knelpunt bij de integratie is volgens Bos de landbouwsector. De Europese Unie beschermt haar landbouwprodukten tegen de concurrentie van derde landen. De bestaande hoge landbouwprijzen binnen de Unie kun je alleen handhaven als je de grenzen flink afschermt."

Pootaardappelen

In Oost-Europa daarentegen verkeert de primaire landbouw in een crisis en is de agribussiness enorm onderontwikkeld. Toetreding tot de interne markt van de Europese Unie is zonder een gezamenlijk landbouwbeleid niet mogelijk, maar een automatische toetreding tot het huidige gemeenschappelijke landbouwbeleid is niet mogelijk." Zo zou het produktie-overschot van bijvoorbeeld tarwe toenemen, hetgeen de EG handenvol geld zou kosten. Daarom, meent Bos moet Oost-Europa zich toeleggen op de produktie van bulkprodukten en West-Europa op bijvoorbeeld de zaad- en pootaardappelproduktie. Daarnaast moet volgens Bos het landbouwbeleid worden aangepast. De hervorming die Mac Sharry heeft ingezet, moet doorgaan: de prijssteun moet geleidelijk plaatsmaken voor inkomenssteun. Dit moet ook voor Oosteuropese landen gaan gelden, waarbij binnen bepaalde kaders per lidstaat gedifferentieerd kan worden."

Voor alle sectoren - diensten, industrie en landbouw - bestaat een enorm potentieel in Oost-Europa, maar voordat dit volledig tot ontplooiing komt zijn we, volgens Bos, tientallen jaren verder. Uiteindelijk zal de produktie toenemen en ontstaan er meer afzetmogelijkheden voor eigen produkten in de landen zelf. Voor het welslagen van de transformatie en integratie is het een voorwaarde dat de Europese beleidskaders zo snel mogelijk helder zijn, zowel de uiteindelijke vorm van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid, als de institutionele en budgettaire voorwaarden waaronder toetreding mogelijk is."

Vooruitlopend op de toetreding zal volgens Bos alvast een geleidelijke marktopening moeten plaatsvinden, die zeker ook moet gelden voor de landbouwmarkt. Tussenscenario's waarin de landbouw blijft afgeschermd, bieden geen oplossing. Dat noem ik de problemen omzeilen. De eerste landen zullen op z'n vroegst in 2005 toetreden, maar dan moet marktopening voor honderd procent worden gerealiseerd."

Maar ook los gezien van de economische en handelsperikelen, levert toetreding van de Oosteuropese landen de nodige knelpunten op. Als de huidige EU met vijftien leden wordt uitgebreid tot een EU-21, komen er ook zeker problemen rond de besluitvorming aan de orde. Besluiten nemen op basis van unanimiteit is dan zeker niet langer mogelijk. Dat betekent dat men consequent toe moet naar meerderheidsbesluiten. En daar blijkt het Verenigd Koninkrijk nu al vierkant tegen. Hoe meer landen meedoen, hoe groter de kans dat je vastloopt. Unanimiteit is dan het recept voor desintegratie."

Re:ageer