Wetenschap - 14 maart 1996

Werkgever kan allergie voor proefdier flink reduceren

Werkgever kan allergie voor proefdier flink reduceren

Ratte-urine leidt tot niesbui in het lab

Veel dierverzorgers en -onderzoekers zijn allergisch voor proefdieren. Een op de vijf wetenschappers wordt uiteindelijk allergisch voor muizen of ratten. Niet alleen de aanleg voor een allergie, maar ook de concentratie van het allergeen in het lab bepaalt of de onderzoeker een loopneus of astmatische aanval krijgt, ontdekte ir A. Hollander van de vakgroep Humane epidemiologie.


Proefdier-allergie is een veel voorkomende klacht in laboratoria van universiteiten en bedrijven. Sommige werknemers kunnen er mee leven, ze hebben alleen last van een loopneus of niesbuien. Maar voor anderen heeft de allergie vergaande consequenties. Elk contact met een ruimte waarin proefdieren worden gehouden, is hen al te veel. Ze krijgen astmatische aanvallen en kunnen niet langer op de werkplek blijven. Als deze werknemers geluk hebben, krijgen ze een andere baan aangeboden door de werkgever. Hebben ze dat niet, dan belanden ze in de wao.

Onderzoek van de vakgroep Humane epidemiologie en gezondheidsleer wijst uit dat zware allergieen waarschijnlijk voorkomen kunnen worden. Op zijn minst kunnen werkgevers ervoor zorgen dat de mensen die met proefdieren werken, minder last krijgen van hun allergie.

Epidemioloog ir A. Hollander, die volgend jaar hoopt te promoveren, startte zijn onderzoek in 1992. Ik wilde weten hoe groot het probleem in Nederland is en of het ontwikkelen van een proefdierallergie ook afhankelijk is van de mate van blootstelling aan allergenen. Gezondheidskundigen nemen aan dat het om een aanleg gaat van de werknemer: je bent allergisch of je bent het niet. Wij hadden aanwijzingen dat dit niet de enige risicofactor is."

Het Astmafonds en het ministerie van Sociale Zaken waren bereid het onderzoek te financieren. Later kwam daar nog een subsidie bij van de Europese Unie, waardoor de vakgroep ging samenwerken met onderzoekers uit Zweden en Engeland.

Huidprikken

Hollander onderzocht 540 onderzoekers, analisten, verzorgers en andere werknemers van acht instituten. Hij inventariseerde klachten en nam huidprikken en bloedmonsters om de mate van allergie te bepalen. Daarnaast mat hij de blootstelling van de werknemers in de laboratoria. In oudere studies proberen ze de blootstelling te schatten aan de hand van de hoeveelheid beesten in een ruimte, maar dat is een hele grove indicatie. Ik heb een nieuwe methode toegepast die vele malen nauwkeuriger is."

Om de algemene blootstelling te meten, werden grote pompen in de laboratoria geplaatst, voor de individuele blootstelling kregen enkele werknemers een pompje om. Beide zuigen lucht uit de ruimte aan en vangen allergenen op via een filter. De hoeveelheid allergenen wordt vervolgens gedetecteerd met antilichamen van konijnen, die eerder waren ingespoten met de allergenen uit de laboratoria. Deze antilichamen gaan een specifieke reactie aan met de rattenallergenen en reageren op dezelfde eiwitten als de antilichamen in de mens. Op deze manier is precies te meten welke concentratie rattenallergeen er in de ruimte aanwezig is. Ook ligt de detectiegrens heel laag: zelfs een concentratie van 0,075 nanogram per liter lucht wist Hollander nog te meten.

En dat is handig, want sommige handelingen in het laboratorium duren zeer kort, waardoor de hoeveelheid allergenen die vrijkomt laag is, maar toch nog kan worden gemeten.

Uit de screening blijkt dat een op de vijf werknemers een allergie tegen proefdieren ontwikkelt. Vooral het werken met ratten geeft problemen. Negentien procent van de mensen die hiermee werken, krijgt klachten, terwijl dat voor cavia's maar vijf procent is. Muizen en konijnen zitten er qua klachten tussenin.

Ratten

Vervolgens nam Hollander het werken met ratten verder onder de loep. Hij ontdekte dat de allergische reactie bij werknemers vooral optreedt door de urine van ratten. Het zijn bepaalde eiwitten in de urine die de allergie opwekken. Ze binden zich aan stofdeeltjes." Zeventien procent van de mensen krijgt daarvan hooikoortsachtige verschijnselen, terwijl zes procent echt astmatische klachten krijgt en niet langer in de ruimte kan werken.

Opvallend is dat deze rattenallergie samengaat met een allergie voor honden en katten. Met pollen en huismijtallergie is geen verband te zien. Een belangrijke constatering, omdat werkgevers in het buitenland sollicitanten die met proefdieren moeten werken, van te voren screenen op eventuele allergieen. In Nederland is zo'n test verboden, stelt Hollander, maar hij heeft gehoord dat bepaalde bedrijven het toch stiekem doen. Als de werknemer gevoelig is voor honden en katten of pollen en huismijten, dan kan hij worden afgewezen. Hiermee kunnen instellingen of bedrijven het risico vermijden dat ze iemand aannemen die later ziek wordt. Vooral met de huidige verandering van de ziektewet, waarbij werkgevers de ziektekosten moeten betalen, is dat actueel. Uit mijn gegevens blijkt dat je met zo'n screening een onterechte selectie maakt. Want de mensen met pollenallergie hoeven niet allergisch voor ratten te worden", aldus Hollander.

Zijn vermoedens dat een hoge blootstelling een risicofactor betekent voor het krijgen van een proefdierallergie, blijken te kloppen. Mensen die zijn blootgesteld aan hoge doses, hebben zestig maal zoveel kans een rattenallergie te ontwikkelen dan mensen die met andere proefdieren hebben gewerkt. Bij een lage blootstelling was de kans op een rattenallergie acht keer hoger."

Healthy worker

Deze conclusie viel in eerste instantie niet uit de gegevens af te leiden. Bij de gehele onderzoekspopulatie kon Hollander deze relatie niet vinden, maar toen hij alleen de werknemers nam die minder dan vier jaar met proefdieren hadden gewerkt, bleek dit wel het geval Dit komt door het healthy worker-effect: mensen die gezond zijn, blijven werken en mensen met zware klachten gaan weg. Daardoor krijg je een soort nivellering en vind je die dosis-effect-relatie niet meer."

Hollander is erg blij dat hij de dosis-effect-relatie heeft gevonden. Dat betekent dat de overheid maatregelen kan nemen om het risico te verminderen - het voorkomen van deze allergieen is waarschijnlijk niet mogelijk. Bij hele lage concentraties van allergenen komen nog allergieen voor", zegt Hollander Die concentraties vind je waarschijnlijk in elke proefdierruimte."

Vooral mensen die de proefdieren moeten verzorgen, lopen een groot risico. Zij worden blootgesteld aan hoge concentraties allergenen tijdens het schoonmaken van de hokken en het verplaatsen van de dieren. De urine van de ratten wordt juist dan over de ruimte verspreid. Maar de risico's verschillen per bedrijf, zegt Hollander. We hebben enorme verschillen in allergeenconcentraties geconstateerd tussen de verschillende laboratoria." De reiniging van de hokken en de afzuiging in de laboratoria loopt sterk uiteen. De blootstelling kan gemakkelijk worden verminderd, bijvoorbeeld door afzuigkappen te installeren, het aantal beesten te verminderen of het hok vaker schoon te maken."

Hollander denkt dat het nog enige jaren zal duren voordat deze onderzoeksresultaten in officiele normen terecht zullen komen. Tot die tijd zullen nog regelmatig mensen die een allergie krijgen een andere baan moeten zoeken of in de wao belanden. Zoals proefdierverzorger Hennie vertelt in een van de nieuwsbrieven van de vakgroep. Na 22 jaar proefdieren te hebben verzorgd moest hij stoppen, omdat de klachten te groot werden. Nu zit hij thuis. Van de ene op de andere dag wordt je van je werk gerukt. Dat is best wel moeilijk. Ik heb wel een aantal andere baantjes gehad, maar ik wil toch graag met dieren werken", aldus Hennie, die verder anoniem wil blijven.

Re:ageer