Wetenschap - 15 juni 1995

Weg uit het keurslijf van het statistische gemiddelde

Weg uit het keurslijf van het statistische gemiddelde

Onderzoeker ziet diversiteit als motor voor ontwikkeling Afrikaanse landbouw

Onderzoekers die de Afrikaanse landbouw willen verbeteren met uniforme gewassen en daarbij en passant alle boeren over een kam scheren, slaan de plank volledig mis. De agronomische obsessie voor statistische gemiddelden en maskering van variaties moet dringend plaatsmaken voor een zoektocht naar oorzaken van diversiteit. Juist daar ligt de sleutel voor ontwikkeling. Dit verkondigt dr ir C.B. de Steenhuijsen Piters na langdurig onderzoek in Kameroen.


Na zijn promotie begin dit jaar trok Bart de Steenhuijsen Piters door West-Afrika, om zijn proefschrift Diversity of fields and farmers, explaining yield variations in northern Cameroon te presenteren aan Afrikaanse onderzoekers. Ongeveer tienduizend gulden kostte zijn rondreis langs een stuk of tien landbouwkundige onderzoeksinstituten en particuliere organisaties. Het hele bedrag kwam uit eigen zak. Ik had het er graag voor over", vertelt hij. Na de steriele promotie in de Aula heb ik daar pas echt mijn proefschrift verdedigd. Ik kan het iedereen aanraden." De tropische plantenteler is er nog helemaal vol van en praat honderduit over de reacties op zijn proefschrift.

Diversiteit is een uiterst gevoelig onderwerp in agronomische kringen, zo leert het boekwerk. Want reeds sinds het ontstaan van het landbouwkundig onderzoek, zo'n 150 jaar terug, zijn vrijwel alle inspanningen gericht op de ontwikkeling van uniforme gewassen, die garant staan voor voorspelbare opbrengsten. Gaandeweg is een hele batterij aan statistische methoden ontwikkeld om storende invloeden van variaties te minimaliseren.

Maar diversiteit is juist essentieel in de Afrikaanse landbouw, betoogt De Steenhuijsen Piters. Boeren zaaien meerdere varieteiten en maken gebruik van variaties in bodemtype en ligging van percelen. Ook verschillen in huishouding en etniciteit zijn van belang. Aangezien agronomen en voorlichters dit gecompliceerde beeld niet zien, slaan ze volgens de promovendus de plank volledig mis in hun ontwikkelingspogingen. In Nederland werkte die uniforme aanpak van de landbouw aanvankelijk wel aardig; hier was voldoende feedback van boeren. Tijdens de Groene Revolutie waren in India grote geirrigeerde uniforme arealen beschikbaar. Maar in Afrika is vrijwel elk project op een fiasco uitgelopen, afgezien van de introductie van hybride mais in Zimbabwe."

Deze stellingen, onderbouwd na een promotieonderzoek in Kameroen, zorgden voor flinke opschudding tijdens zijn rondreis. Onderzoekers moeten voortdurend afwijkingen in hun gegevens elimineren. Dat is zeer onbevredigend; je doet daarmee de waarheid geweld aan. Ik bemerkte dan ook een groot gevoel van opluchting toen ik vertelde dat nu wetenschappelijk bewezen is dat je variaties juist n364et als een probleem moet zien."

Huishouden

De queeste naar een verklaring voor diversiteit begon in Mali. Daar onderzocht de Wageninger tijdens zijn doctoraalonderzoek onder welke voorwaarden boerengezinnen ploegen met dierlijke tractie. Pure chaos", memoreert hij. Ik had een enorme hoeveelheid materiaal, maar ik kon er geen enkel patroon in ontdekken." Theorieen van neo-marxistische denkers als Bernstein en De Janvry boden geen soelaas. Die verklaarden vooral verschijnselen op macro-economisch niveau en misten de aansluiting met het complexe Afrikaanse platteland. Ook de door De Steenhuijsen Piters gehanteerde farming systems-analyse schoot tekort. Daarbij was het huishouden het belangrijkste onderzoeksobject. De data over gezinssamenstelling en activiteiten bleven vooral beschrijvend en gaven geen verklaring voor de sterk varierende boerenpraktijken.

De doorbraak kwam pas na terugkomst in Nederland. Daar was het standaardwerk over bedrijfsstijlen van Bolhuis en Van der Ploeg goed voor een heuse aha-erlebnis. Deze auteurs stellen de manier centraal waarop boeren met hun bedrijfsvoering anticiperen op de fysische en sociaal-economische omgeving. De daaruit voortvloeiende beslissingen vormen de basis voor een indeling in bedrijfsstijlen. Deze dynamische methodiek helpt om nauwkeuriger boerenstrategieen te onderscheiden, vertelt de agronoom. De extrapolatie naar de Malinese gegevens was een kleine stap en leverde alsnog de gewenste verklarende patronen op voor het ogenschijnlijk chaotische gebruik van de ploeg.

Mede op aandrang van prof. dr ir L.O. Fresco, destijds universitair hoofddocent bij Tropische plantenteelt, besloot De Steenhuijsen Piters in een promotieonderzoek voort te borduren op deze uitkomsten. Aanvankelijk had hij de wind mee: de nieuwe hoogleraar Tropische plantenteelt Gibbon zag het onderwerp zitten en benoemde hem tot aio - de bruidsschat bij Gibbons nieuwe aanstelling. Ook het Franse onderzoeksinstituut Cirad uit Montpellier toonde belangstelling. Etnografische studies in de voormalige Afrikaanse kolonies wezen namelijk op grote verschillen in landgebruik, maar een kwantitatieve agronomische onderbouwing ontbrak goeddeels. Het Cirad hielp met de locatie-keuze en De Steenhuijsen Piters koos voor het dorp Gaban in Noord-Kameroen. Hier leven twee bevolkingsgroepen, de Moundang en Toupouri, die regenafhankelijke katoen en sorghum verbouwen.

Impasse

De onderzoeksplannen vorderden gestaag. Maar Gibbon vertrok plotseling, terwijl de aankomende promovendus nog geen officiele aanstelling of werkbudget had. Gibbons opvolger, prof. dr ir M. Wessel, bleek aanzienlijk minder gecharmeerd van het onderzoek en de voorbereidingen raakten in een impasse. De persoonlijke relaties stonden op scherp, vertelt De Steenhuijsen Piters, die naar eigen zeggen ook niet altijd even genuanceerd was. Daarnaast zorgde gesteggel over definities en precieze aanpak voor een moeilijke periode. Ondanks steun van het Cirad duurde het een jaar voordat De Steenhuijsen Piters definitief groen licht kreeg voor zijn vertrek naar Kameroen.

In Gaban vormden opbrengstverschillen de centrale ingang van het onderzoek, vooral op aandrang van Fresco. Hierdoor is de aanpak minder grensverleggend dan wanneer ik het huishouden centraal had gesteld. Maar de impact is nu veel groter. Als je naar opbrengsten kijkt, heb je namelijk een ingang bij agronomen."

Drie jaar gedetailleerd gepluis in de velden van Gaban bracht ondermeer aanzienlijke verschillen in sorghum-opbrengsten aan het licht. Die hingen samen met factoren als bodemtype, afstand tussen veld en huis, uren geinvesteerde arbeid en het moment van ploegen. Bovendien tekende zich na combinatie van gegevens een Toupouri- en een Moundangsysteem af. De Toupouri wonen pas enkele decennia in het dorp en hebben zich aan de rand gevestigd. Hier verbouwen ze sorghum op jongere, meer homogene velden. Ze steken er meer tijd in dan de Moundang en maken handiger gebruik van de ploeg, hetgeen resulteert in gemiddeld hogere opbrengsten.

Etnische verschillen manifesteren zich nog pregnanter in de katoenteelt. De Toupouri hadden zich altijd verzet tegen de Franse overheersing en stelden zich zeer afhoudend op tegenover de door de kolonisatoren gepropageerde katoenteelt. In Gaban teelt slechts de helft van de Toupouri katoen; vaak met het achterliggende motief zo kunstmest te verkrijgen die vervolgens voor een belangrijk deel op de sorghumvelden belandt. Van de Moundang-huishoudens teelt negentig procent katoen; die noteren een vijf keer zo hoge produktie.

Overleving

Op analoge wijze behandelt De Steenhuijsen Piters data die handelen over de toegang tot produktiefactoren en de bestemming van het verdiende geld. De Toupouri opereren meer als collectief en verdelen de verdiensten meer onderling. Er bestaat een duidelijk verschil tussen arme gezinnen die alle familiearbeid moeten inzetten voor overleving en rijkere gezinnen die meer grond en kapitaal bezitten en extra opbrengsten aanwenden voor luxe zaken.

De promovendus constateert ook significante verschillen tussen opbrengsten op vrouwen- en mannenvelden, die samenhangen met factoren als de afstand tussen veld en huis, het aantal gewerkte uren en de noodzaak het gezin van voedsel te voorzien.

In de visie van de agronoom leidt dit alles tot de onvermijdelijke conclusie dat onderzoekers en voorlichters die de Afrikaanse ontwikkeling willen bespoedigen, moeten nadenken welke groepen ze willen ondersteunen en moeten kiezen voor goed aansluitende oplossingen. Teruggrijpen op uniforme recepten is uit den boze. De Wageninger erkent dat deze conclusies een open deur lijken. Maar wat een conventie is voor de een, is voor de ander een revolutie. Wat dat betreft ligt de agronomie ver achter bij bijvoorbeeld de biologie. Daar is het denken over variaties veel verder ontwikkeld. Binnen de agronomie hing altijd een zweem van subjectiviteit rond het thema diversiteit. Maar zogenaamde objectieve landgebruikmodellen ontkennen de veelzijdige dynamiek. Die omvat te veel boerenkeuzes. Die kun je niet in je model kwijt, dus worden ze vaak weggewerkt in een gemiddelde. Maar daarmee zijn die modellen net zo goed subjectief."

Zendeling

Toen het onderzoek eindelijk was afgerond, alle data hun statistische bewerking hadden ondergaan en het boekje compleet met foto-kaft op tafel lag, resteerde slechts een vraag. Hoe krijg je het bij Afrikaanse onderzoekers? Zij zijn immers direct bij het onderwerp betrokken. Navraag leerde dat de LUW-bibliotheek een ruilabonnementenlijst heeft met 121 instellingen die kunnen inschrijven op de proefschriften. Maximaal vijftig aanvragen worden gehonoreerd. Het schrijnende is dat de lijst slechts drie Afrikaanse adressen telt, vertelt de promovendus. Twee in Zuid-Afrika en een in Marokko. Andere Afrikaanse instellingen zitten er niet bij; die hebben zeker niks te ruilen. Bovendien heeft opsturen geen zin, werd me gezegd. Het komt niet aan of er is geen belangstelling voor. Inmiddels heb ik zelf een lijst gemaakt. Daar komen goede reacties op. Dus waarom stuurt de LUW niet op eigen kosten vijftig exemplaren van elk proefschrift naar Afrika? Het mijne heeft een kostp
rijs van 6,90 gulden. Dan ben je als Landbouwuniversiteit zinvol bezig en je profileert je goed."

Uiteindelijk vertrok De Steenhuijsen Piters als een soort alternatieve zendeling naar West-Afrika, waar hij eigenhandig zeshonderd exemplaren verspreidde. De gratis boekjes vonden gretig aftrek, wat duidt op een grote behoefte aan wetenschappelijke feedback uit het Noorden. Afrikaanse onderzoekers mogen wel in Wageningen studeren, maar daarna laat je ze aan hun lot over. Ik vind dat je ze moet blijven stimuleren en uit hun dagelijkse beslommeringen moet halen. Contacten zijn daarbij noodzakelijk, anders stagneert hun ontwikkeling en daarmee die van het land."

Voor De Steenhuijsen Piters zelf was het onderzoek pas na zijn rondreis definitief afgesloten. Nu maakt hij zich op voor een volgende fase in Tanzania, waar hij praktijkgericht onderzoek gaat begeleiden. Hij ziet het helemaal zitten: Ik hoef niet meer zo nodig te afficheren dat ik links ben. Nu krijg ik een functie waarin ik mensen kan afschermen. Die kunnen dan op hun beurt weer grensverleggend bezig gaan. De figuurlijke molotovcocktail heb ik ingeruild voor een database."

Re:ageer