Wetenschap - 2 februari 1995

Wageningse biotechnologen over Mary Shelly

Wageningse biotechnologen over Mary Shelly

Wanneer is iets een monster?

De jonge Victor Frankenstein heeft zijn eigen produkt niet in de hand, zo blijkt in Mary Shelly's Frankenstein die momenteel in Wageningen draait. Drie biotechnologie-docenten van de Landbouwuniversiteit bekeken de film en analyseren in hoeverre de biotechnologie nu, iets met Frankenstein gemeen heeft. Als zo'n risico je niet aanstaat, moet je met het onderzoek ophouden."


Niemand hoeft meer te sterven", belooft de verbeten student medicijnen in de film Frankenstein, die momenteel in het Molenstraattheater draait. Na de dood van zijn moeder heeft Victor Frankenstein nog maar een doel: leven scheppen. Als zijn geliefde Elisabeth hem bezorgd in zijn stinkende en overvolle laboratorium komt vragen wat hij toch allemaal aan het doen is, sluit hij de deur. Ik moet doorgaan", smeekt hij. Als een bezetene schendt hij graven om er benen, hersenen en nieren weg te halen, aan elkaar te naaien, in vruchtwater te dompelen en er elektriciteit op aan te sluiten.

Je gaf me armen, hersenen en spraakvermogen, maar je leerde me niet hoe ik ze moet gebruiken", zegt het monster, na twee jaar onder de mensen ongelukkig te zijn geweest. Je hebt me geen naam gegeven. Weet je of ik een ziel heb? En heb je stil gestaan bij de gevolgen van je daden?" Pas als Frankenstein dan weer vlucht, wordt het monster wreed. Het dwingt hem nog eens leven te scheppen. En Frankenstein kan niet meer terug.

Op uitnodiging van bioscoopbaas Gerben Kuipers bekijken we deze, goedbeschouwd absurde, film met een paar biotechnologen van de Landbouwuniversiteit, om er daarna in de foyer over na te praten. In hoeverre leert het verhaal van Mary Shelly uit 1816 ons iets over de wetenschap- en technologie-ontwikkeling van nu?

Drie biotechnologie-docenten verklaarden zich bereid op deze maandagmiddag mee naar de bioscoop te gaan: dr ir Francien P.M. Govers van de vakgroep Fytopathologie, die de genetische achtergronden ontrafelt van de relatie tussen pathogenen en gewassen, dr ir Leo H. de Graaff van de sectie Moleculaire genetica van Industriele micro-organismen - zijn groep onderzoekt de genetische achtergrond van enzymen - en dr Guido T.P. Ruivenkamp van de werkgroep Technologie en Agrarische Ontwikkeling, die de samenhang tussen technologie-ontwikkeling en maatschappij onderzoekt.

De drie docenten blijken aan elkaar gewaagd. Er zijn duidelijk twee partijen. Sociaal-wetenschapper Ruivenkamp herkent enthousiast steeds weer nieuwe thema's in de film, die hem vragen doen stellen over de huidige manier waarop het bedrijf wetenschap werkt. Maar de moleculair biologen Govers en De Graaff zien de film toch voornamelijk als een op zichzelf staand verhaal en weerleggen liever vergelijkingen tussen Frankenstein en zichzelf.

Isolement

Voor mij is het cruciale moment", start Ruivenkamp de discussie, wanneer Frankenstein voor de vragende Elisabeth de deur sluit en zegt ik ga door. Frankenstein gaat ook door, wanneer zijn vriend de stad in gaat om als arts te helpen bij de cholera-epidemie. Mij leert dat, als een onderzoeker zo gedreven is en tegelijkertijd zo gescheiden is van zijn sociale omgeving, dat niet alleen relaties kapot gaan, maar ook een produkt wordt gecreeerd dat achteraf een monster blijkt te zijn. Als Frankenstein zijn onderzoek eerder aan anderen had voorgelegd, desnoods aan Elisabeth die misschien veel intelligenter is, was het verhaal heel anders geworden. De manier waarop wetenschap is georganiseerd leidt tot een bepaald type produkten. Wanneer wordt de omgeving met het monster geconfronteerd? Als het er al is. Wanneer worden we nu met BST geconfronteerd? Als het er al is."

De Graaff: Het isolement van de onderzoeker vind ik nu juist een thema uit de film dat geen relatie heeft met de huidige biotechnologie. Kijk naar alle congressen die er zijn. Wetenschappers kijken elkaar enorm op de vingers."

Ruivenkamp: Oke, dan praten we over de geslotenheid van de groep biotechnologen."

Govers: Staan bij onderzoekers de deuren naar de samenleving niet al open? Wij moeten projecten indienen om de financiering rond te krijgen. En bij veel van de beoordelingen beslissen de gebruikers mee."

Ruivenkamp: Beslissen de gebruikers daadwerkelijk mee? Toen ik voor de boerenorganisaties werkte, was het voor mij heel makkelijk om namens 16.000 leden in allerlei circuits zitting te nemen. Maar daarmee waren die leden er nog niet bij betrokken. Als je die betrokkenheid echt wilt, moet je het onderzoek zo organiseren dat het meer in de maatschappij is ingebed. Misschien horen onderzoekers wel niet langer in een apart instituut."

Stemhokje

De biotechnologen zijn inderdaad niet geisoleerd van de samenleving, zo zijn de docenten het al snel eens. Wel staat de deur slechts open voor een bepaalde groep uit de samenleving, namelijk de kapitaalkrachtigen. Grote bedrijven en een deel van de boeren beinvloeden de richting en maken gebruik van de onderzoeksresultaten. En dat geeft een ander type produkten, dan wanneer meerdere groepen betrokken zouden zijn. En dat de kapitaalkrachtigen de meeste invloed hebben, komt omdat de biotechnologie erg duur is.

De Graaff: Zo is de maatschappij ingericht, of je dat nu leuk vindt of niet. Als persoon kan ik daar natuurlijk wel een mening over hebben, en die kan ik dan in het stemhokje kenbaar maken. Als wetenschapper moet ik die inrichting aanvaarden. Botst dat te veel, dan moet ik zeggen: ik doe niet mee. Maar dan moet ik ook de hele biotechnologie vergeten. De schimmelveredelaar die ons onderzoek kan betalen, is een kapitaalkrachtig bedrijf. En de arme boer in Afrika heeft niks aan de moderne biotechnologie."

Ruivenkamp: Maar als je die economische sturing aanvaardt, luister je toch maar naar een economische groep? Terwijl er zoveel goede initiatieven voor een duurzame landbouw zijn. De les die ik uit het verleden heb geleerd, is dat het luisteren naar een stem - en destijds was het produktie-verhoging - fout gaat. Tweede vraag is of het onderzoek op deze manier wel efficient wordt ingezet. Er is zeker een groep boeren die blij is met het BST van Monsanto. Maar had, gezien de problemen in de landbouw, dat anderhalf miljard gulden ontwikkelingskosten niet beter kunnen worden gebruikt? Daar moet toch elke onderzoeker over nadenken."

Grenzen

Govers: Wij kunnen als onderzoeker biodiversiteit of onderontwikkeling in ons achterhoofd hebben, maar hoe moet je dat praktisch invullen? Je hebt geld nodig voor je onderzoek en daarvoor moet je nu eenmaal mee praten in het straatje van de Nederlandse aardappelindustrie. Hen moet je voorspiegelen dat meer kennis over de schimmel bij kan dragen aan het bestrijden van de ziekte. En weigeren omdat je het niet eens bent met de toepassing? Tot nu toe ben ik nog altijd bij de vraag gebleven of een voorstel interessant is voor mijn onderzoek, of het daarin past. Dat is ook mijn drijfveer, meer inzicht krijgen in biologische systemen. Het gaat mij, en ik denk ook Leo, om fundamenteel onderzoek. Toepassing is vers twee."

De Graaff: Het criterium of we iets wel of niet doen is worden wij er wetenschappelijk wijzer van. Naar mijn idee hoort wetenschap kennis te verzamelen, grenzen te zoeken, misschien ook over grenzen te gaan. Dat is ons bestaansrecht. En ik denk ook niet je dit al te direct moet sturen, als dat al zou kunnen."

Daarmee komen we terug op de film. Als het streven van de onderzoeksgroep het verleggen van grenzen is, zonder dat dit direct kan of moet worden gestuurd, wie neemt dan de verantwoordelijkheid voor wat er met de resultaten gebeurt? Of moet je zeggen - zoals ook Frankenstein in de film zegt - dat er voor het goede doel risico's moeten worden geaccepteerd?

De Graaff: Het klinkt misschien fatalistisch, maar ik noch Francien heeft invloed op wat er met onze publikaties gebeurt. Om een extreem voorbeeld te geven. Het onderzoek aan het atoom heeft geleid tot de atoombom van 8 augustus 1945. Ik denk niet dat dat te voorkomen was. Als Amerika deze kennis niet had gebruikt, had een ander land dat gedaan. Als zo'n risico je niet aanstaat, moet je met het onderzoek ophouden."

Intuitie

Govers: Maar wanneer is iets een monster? In ons geval zie ik niet zoveel risico's. Ik denk dat als je een transgene plant maakt, je niks anders doet dan wat men al tweeduizend jaar doet."

Ruivenkamp: Er zat een breuk in het moment dat de veredeling in een instituut werd georganiseerd en los kwam te staan van boerenculturen."

Govers: Maar nou moet je me toch eens zeggen wat ik daar nu, in het laboratorium, aan kan doen?"

Ruivenkamp: We moeten daar samen mee aan de slag. Interdisciplinair onderzoek doen."

Govers: Ja, maar dan kom ik weer terug op dat hoofd boven water houden. Onderzoek is laten zien dat je publiceert."

Het laatste half uur gaan we in op de wijze waarop dokter Frankenstein het leven bezag. Nemen Govers en De Graaff ook aan dat leven een som van biochemische componenten is, wil Ruivenkamp weten. Men zal nooit een plant uit chemische componenten kunnen bouwen, menen de moleculair biologen, maar daarom wordt een levende tomaat nog geen wezenlijk andere plant als je er extra genen in stopt. Zijn jullie het ermee eens dat dit een intuitieve vooronderstelling is, die niet op wetenschappelijke argumenten is gebaseerd?", wil Ruivenkamp ook nog horen.

En hiermee blijkt de openheid die Ruivenkamp voorstaat, nog weer complexer om te realiseren. Want als dit soort vooronderstellingen intuitief zijn, kunnen biotechnologen andersdenkenden ook niet met rationele overwegingen overtuigen. Dit maakt een discussie bijna onmogelijk. Een discussie die ook nog eens wordt bemoeilijkt door het feit dat biotechnologen zichzelf vragen stellen over genen, promotoren en enhancers, terwijl gebruikers bezig zijn met asbest op het dak, de geur van bloemen en de prijs van bieten. Zoals Frankenstein zich afvroeg hoe hij aan vruchtwater, benen en armen moest komen, en Elisabeth niet begreep waarom hij niet gewoon arts werd en met haar trouwde.

Re:ageer